Beheer en voorwaarden voor bloemrijke akkerranden en afgeleiden begroeiingen
Bijna iedereen denkt dat je een bijenlint krijgt door akkerplanten uit te zaaien. Voor honingbijen werkt het meestal tijdelijk, maar voor wilde bijen heb je duurzame bloemrijke vegetaties nodig.
Als men op een goede manier akkerkruiden uitzaait en er geen concurrentie is van andere niet uitgezaaide planten, zullen de meeste zaden van akkerplanten ontkiemen en bloeiende planten opleveren. Maar voor een duurzame begroeiing met akkerplanten is veel meer nodig.
Bij de ontwikkeling van bloemrijke akkerranden is een aantal beheeraspecten van belang.
 
Voorbeelden van vergrassing --
Literatuur
 
 
 
 

 

Beheeraspecten

Bloemrijke akkers waren aan het begin van de vorige eeuw nog gewoon. Door de opkomst van kunstmest, herbiciden en intensieve mechanisatie die diepploegen mogelijk maakte, zijn bloemrijke akkers uit het landschapsbeeld verdwenen.
Om verdere achteruitgang van de biodiversiteit te voorkomen en om de bijenteelt te bevorderen willen we deze akkers gedeeltelijk herstellen. Dat kan onder meer door het aanleggen van bloemrijke akkerranden. We moeten ons hierbij realiseren, dat de vroegere bloemrijke akkers het resultaat waren van intensieve lichamelijke arbeid, zoals schoffelen en wieden. Het was bovenal een langdurig (decennia, eeuwen?) nauwelijks gestoord voortdurend ecologisch proces. Door het ritme en afwisseling van de teelten, gecombineerd met braakligging, ontstonden bloemrijke plantengemeenschappen die we nu alleen nog maar in akkerreservaten aantreffen (voor overzicht zie: Haveman et. Al. 1998).
Als er al mest werd gebruikt was dat zeer schaarse stalmest van schapen (potstalmest) of liet men de schapen een of enkele nachten overnachten op de akkers. Een alternatief was om één keer in de twee jaar, één jaar braakligging met beweiding. Het land werd dan bemest en de kruiden die spontaan waren opgekomen werden na het seizoen als groenbemesters omgeploegd. Het ging hier om een vrijwel gesloten kringloop.
a. Verschralen -- Akkerranden en andere plekken met akkerplanten die zowel voor de totale biodiversiteit, als voor wilde bijen en honingbijen interessant zijn, moeten bloemrijk zijn. Bij de laatste groep wordt door imkers vooral aan inzaaien van akkerranden gedacht. Maar daarmee zijn we er niet. De meeste akkers hebben een zeer voedselrijke bodem. Eigenlijk zou deze bodem eerst moeten worden verschraald. Door een gewas te telen zonder te bemesten is binnen 3 tot 5 jaar een redelijke verschraling van de bodem van stikstof en in mindere mate van fosfaat te bereiken. Gewassen die hiervoor in aanmerking komen zijn onder meer maïs, Engels- of Italiaans raaigras ( twee of drie maal per jaar maaien) en zonnebloemen. De gewassen worden normaal geoogst. De bewerking van de akkerranden moet op de oude landbouwmethoden zijn gebaseerd. Door een lichte bemesting van stikstof en/of kali kan het fosfaatgehalte van de bodem verder worden verminderd.
b. Ondiep ploegen -- Akkerranden die volgens ecologische principes ontstaan, worden (of beter gezegd werden) met lichte machines 10-20 cm diep geploegd. Voor wintergraan (haver en gerst) gebeurde dat voor half oktober; voor zomergraan (rogge en tarwe) en hakvruchten voor uiterlijk half maart. Dat waren ook de uiterste zaaidata voor het graan. Direct na de oogst in de maanden juli en augustus kon er weer worden geploegd en geëgd, vaak werden er dan ook groenbemesters ingezaaid.
c. Wisseling van teelt en braaklegging -- Als bloemrijke akkerranden worden gecombineerd met teelten moet er geregeld van teelt worden gewisseld. Dat kan volgens het drieslagstelsel. Dat is: “Een verdeling van het bouwland in drie gedeelten (slagen), waarbij de verschillende slagen achtereenvolgens verbouwd worden met wintergraan en zomergraan, om daarna een jaar braak te liggen.(Veenman’s Agrarische Encyclopedie  1956).
 “Moderne” inzichten in de levensvoorwaarden der cultuurgewassen hebben, waar voldoende mest was, geleid tot de invoering van het “vruchtenwisselstelsel” waarbij een zodanige volgorde van de gewassen wordt gekozen, dat voor de verwering van de minerale bestanddelen van de bodem ontstane opneembare planten voedende stoffen zoveel mogelijk door cultuurgewassen worden opgenomen en waarbij de grond in zo gunstige mogelijke structuurtoestand blijft. Daarom verbouwt men afwisselend vlakwortelende en diepwortelende gewassen. Granen, peulvruchten en hakvruchten worden in een zodanige volgorde geteeld, dat de kans op plantenziekten zo klein mogelijk blijft, de arbeidsverdeling in het bedrijf zo gunstig mogelijk is (vroeg- en laatrijpende gewassen) en de voorziening van de grond met door leguminosen vastgelegde luchtstikstof en verrijking van de grond met organische stof zo goed mogelijk verzekerd is. Voordat het gebruik van kunstmest algemeen werd,  had bijkans elke streek haar eigen vruchtwisselstelsel, waarvan men slechts zelden aanmerkelijk afweek” (Minderhoud & van Hove, 1956). Het drieslagstelsel werk het best op de zwaardere gronden (klei en Löss). Tijdens de braakligging werd het land vaak door vee begraasd. De ontwikkeling van onkruiden werden dan afgeremd.
Voor ca. 1900 werd braak ook vervangen door boekweitteelt. Omdat boekweit vorstgevoelig was, werd deze methode steeds minder toegepast (onder meer Botke, 1928. p. 195). Op zandgronden waarop continu wintergranen worden geteeld, moet dat een maal in de 5-7 jaar worden afgewisseld met de teelt van zomergraan.
Als het om het in stand houden van de specifieke akkerflora en -fauna gaat, kan graan het beste als hoofdgewas worden geteeld. Als het om de functie van drachtplanten gaat waarin ook exotische soorten (o.m. Hoekse waard, Overflakkee en Zeeland)  voorkomen, is het type hoofdgewas niet van belang.
d. Onkruidbestrijding -- Als jaarlijks accuraat wordt geploegd en niet te zwaar wordt bemest wordt de groei van (plaag)onkruiden al voor een deel tegengegaan. Ook wisselteelten met bladrijke en dicht opeenstaande hakvruchten en op de armere zandgronden met boekweit kunnen de groei van onkruiden remmen. Maar dan nog duiken onkruiden steeds talrijk op. Vroeger werden  onkruiden  bestreden door schoffelen, de onkruideg en disteltang. Maar in gewassen die in rijen werden geteeld bleef het  onkruid in de rijen zelf aanwezig. Er moest ook vaak worden gewied. (Veenman’s Agrarische Encyclopedie 1956; zie onder: onkruidbestrijding, rogge, haver, ),   (Brouwer et al. Encyclopedie van Friesland, 1958; zie onder: boekweit).

Chemische onkruidbestrijding -- Uit verschillende workshops  en gesprekken met boeren, blijkt dat akkerranden ook chemisch worden beheerd. Het zal duidelijk zijn dat dit niet bevorderlijk is voor de bijen en heel veel andere kleine dieren. Op deze wijze zijn akkerranden voor de biodiversiteit nutteloos.

Kweek -- De wortelstokken van kweek komen bij eggen na de oogst in droge perioden, gedeeltelijk boven de grond te liggen. Die moeten dan nog wel met de hand worden verzameld. Eggen om het onkruid tegen te gaan gebeurde ook bij schraal weer in de winter. Hierbij egde men in loodrecht op elkaar staande banen. Voor onkruidbestrijding werd ook een zogenaamde onkruideg gebruikt.
Akkerdistel -- Deze soort moet steeds vlak voor de bloei worden gemaaid, daarna nog twee keer i.v.m. hergroei. Bij de tweede keer ook weer vlak voor de bloei. De planten worden dan uitgeput. Dit moet meestal een aantal jaren worden vol gehouden. Overigens is akkerdistel een zeer goede dracht-, en vlinderplant, vaak veel effectiever dan de meeste andere kruiden die in akkerranden kunnen voorkomen. Rondom biologische teelten moet het voorkomen van akkerdistel zoveel mogelijk worden beperkt. In akkers waar preventieve chemische onkruidbestrijding plaatsvindt, kan akkerdistel beter worden getolereerd.
Ridderzurig kan het beste zo diep mogelijk worden uitgestoken. Dit werkt het beste in combinatie met verschraling van de bodem.
Heermoes - De donkerbruine, bijna zwarte wortelstokken van heermoes kunnen, als het om enkele planten gaat met een greep (spitvork) zo diep mogelijk worden verwijderd. De wortelstokken kunnen zich dieper dan 30 cm in de bodem bevinden. Als het om haarden gaat, is schaduw de beste bestrijding. Bij akkerranden is dat te realiseren door akkergewassen zoals maïs, aardappels of dicht gezaaid graan (rogge of tarwe) te gebruiken.
Een jarige kruiden - een aantal hoog worden eenjarige kruiden kunnen over meer dan 100 m in extreme dichtheden voorkomen dit zijn onder meer melde, beklierde duizenknoop en perzikkruid. Deze soorten kunnen op voedsrijke grond hoger dan een meter worden. Dit heeft vooral te maken met bemesting en bodemverstoring. Als de stroken niet meer worden bemest of zo mogelijk worden verschraald en niet dieper wordt geploegd dan voor de akkerkruiden noodzakelijk is, zullen deze hoog worden onkruiden afnemen.
e. Bemesten -- Voor veel akkeronkruiden en vooral op de zandgronden ook voor andere drachtplanten is een lichte bemesting met overjarige stalmest gewenst. Als er vooral in graanakkers te weinig wordt bemest, krijgen wikkes een impuls en kunnen dan dominant gaan optreden en de beoogde akkeronkruiden of drachtplanten overwoekeren.
f. Vergrassing -- In akkerranden worden in principe geen chemische bestrijdingsmiddelen toegepast en handmatige onkruidbestrijding is te arbeidsintensief en dus te duur. Daar komt nog bij dat het vaak niet om echte akkerranden gaat, maar om agroranden. Dat zijn randen die niet meer bij de echte productieakker horen, maar als een soort lijst er omheen liggen. De   lichtconcurrerende granen zijn op deze plaatsen dunner gezaaid dan gewoonlijk of ontbreken zelfs en gewassen van hakvruchtakkers ontbreken helemaal. Ongewenste kruiden kunnen zich daardoor gemakkelijker ontwikkelen en meestal leidt dit tot vergrassing en verruiging. Zolang akkerranden aan hun verwachtingen blijven voldoen is dat geen enkel probleem, maar dat duurt meestal slechts enkele jaren.  Als de vergrassing zo intens wordt dat akkeronkruiden zich niet meer kunnen handhaven of vergrassing jaarlijks sneller gaat optreden, kan er beter worden overgeschakeld naar een graslandbeheer. Het zou goed zijn om daar niet al te lang mee te wachten.. In veel gevallen kunnen langs de randen van de akkers ook plaatsen of zelfs linten met bloemrijke ruigte ontstaan. Dat zal met elkaar aanzienlijk meer biodiversiteit opleveren dan ingezaaide akkerranden.
 
Onkruidvermindering door gefaseerde grondbewerking en( mechanisch) schoffelen

Door grondbewerking treedt veel zuurstof in de bodem, waardoor allerlei processen op gang worden gebracht die de bodem vruchtbaar maken. Niet alleen humus wordt verteerd, maar ook andere chemische en biologische processen die voor snelle plantengroei noodzakelijk zijn komen op gang. De bodem wordt vruchtbaarder. Een nadeel van grondbewerking is echter dat ook allerlei zaden van ongewenste en minder gewenste planten aan het oppervlak komen en mede onder invloed van licht gaan kiemen. In de volksmond noemen we dit onkruiden; in het geval van akkers akkeronkruiden.  De bouwvoor is met deze onkruidzaden meestal tamelijk verzadigd. Bij iedere grondbewerking komen er nieuwe zaden boven.

Als inzaaien van gewenste soorten kort na de grondbewerking plaatsvindt, is de kans zeer groot dat onkruiden sneller groeien dan de ingezaaide soorten. Door de grond gefaseerd (in etappes) te bewerken, kan de groei van onkruid worden verminderd.
In de eerst fase wordt de grond ca. 2 tot 4 weken voor het zaaien zaaiklaar gemaakt, maar dan zonder inzaaien. De tweede fase van de grondbewerking, de aanleg van het definitieve zaadbed vindt plaats na de kieming van de onkruiden. Op de volkstuin gebeurt dit door oppervlakkig te  schoffelen, in de landbouw gebeurt dat machinaal (door een zogenaamde rotorkopeg of een volveldschoffelbak).  Afhankelijk van de klimatologische omstandigheden kan rond eind maart de eerste fase worden uitgevoerd en de tweede (het definitieve zaadbed)  twee tot vier weken later, als de onkruiden voldoende gekiemd zijn.  Het onkruid wordt men hierdoor niet de baas, maar de concurrentiekracht wordt dan zo sterk verminderd dat de ingezaaide akkerrandkruiden, in ieder geval in de eerste ontwikkelingsfase, een voorsprong hebben.
Net als op de volkstuin of groentetuin kunnen zaadbedden het beste worden aangedrukt dit leidt meestal tot een snellere en regelmatige kieming en (jeugd)groei. Akkerranden die puur als bloemrand worden ingezaaid kunnen het beste in rijen worden gezaaid, zodat er nog enige ruimte is voor mechanische onkruidbestrijding. In de rijen zelf groeit het onkruid gewoon door. Maar door al dan niet mechanisch te schoffelen wordt de lichtconcurrentie substantieel verminderd. Als kruidenmengsels met graan worden ingezaaid (vooral op schralere gronden) kan er breedwerpig worden gezaaid. .
De wortelonkruiden inclusief vergrassing blijven een probleem. Voor de boeren is het bijna onmogelijk omdat op de ouderwetse manier de baas te blijven. Maar dat geldt ook voor het houtwallen- en knotbomenbeheer die voor een belangrijk gedeelte van vrijwilligers afhankelijk is. Ook in akkerranden kunnen vrijwilligers aan de slag.
Een mogelijk betere methode is om de oppervlakte voor bloemrijke begroeiingen van akkerkruiden niet groter te maken dan ecologisch verantwoord kan worden beheerd. Niet de oppervlakte telt, maar het ecologische resultaat en waarschijnlijk is bij kleinschalige projecten cotinuiteit beter te realiseren. Reken de boeren niet af op mē-s, maar op hun ecologische prestaties.
 
Voorbeeld van vergrassing Deze akkerrand is met akkeronkruiden (en soorten van grasland?) ingezaaid. Onder het graan kan een graslandvegetatie zich goed ontwikkelen. (Wageningen 2009)
 
Fragment akkerrand met korenbloem, bij verdergaan de vergrassing en toename van andere wortel onkruiden zal deze plant snel verdwijnen.
 
Akkerrand gezien vanaf de zijkant; met rode klaver, smalle weegbree en verschillende soorten gras.
 
Akkerrand bovenaanzicht zelfde plek als vorige foto
 
Grassen en andere groene (on)kruiden kunnen zeer dominant worden. Vooral als het overblijvende soorten zijn, nemen deze grassen zonder extra beheer in het volgende groeiseizoen toe. (Nieuw-Beijerland 2009)
 
Vooral aan de zonnebloemen is goed te zien dat er in rijen is gezaaid. Hierdoor is ook enig beheer (schoffelen) mogelijk, maar in de rijen groeit het onkruid gewoon door. (Nieuw-Beijerland 2009).
 
Literatuur
Bakker, P. & A. van der Berg (2000). Beschermingsplan akkerplanten. Directie Natuurbeheer, Ministerie van Landbouw en Visserij, Den Haag, pp. 108.
Botke, J.(1928). De Hondsrug. Uitgaven der Nederlandse Natuurhistorische Vereniging 2. Wolters, Groningen. pp. 216.
Elsen, T. van & U. Scheller (1995). Zur bedeutung einer stark gegliederten Feldflur für Ackerwildkraut-Gesellschaften; Beispiele aus Thüringen und Nordhessen. Natur und Landschaft 70 (2): 62-72.
Haperen, A. (1997) . Zonnestraal, een Zeeuws voorbeeld van akkerrandenbeheer. De Levende Natuur 98 (6): 214-215.
Haveman, R. (1995). Plantensociologische inventarisatie akkeronkruidreservaten, tussentijdse rapportage. IKC natuurbeheer/Adviesgroep Vegetatiebeheer, pp. 24.
Haveman, R., J.H.J. Schaminée & E.J. Weeda (1998). Stellarietea mediae. In: Schaminée, J.H.J., E.J. Weeda & V. Westhoff. De vegetatie van Nederland 4. Plantengemeenschappen van de kusten van binnenlandse pioniermilieus. Opulus, Uppsala, pp. 199-246.
Keulen, S. (2001). Akkerrandenbeheer en bloemrijke akkerranden. Natuurhistorisch Maandblad 90 (4): 74-76.
Leys, H.N. (1979). Akkers. In: Rijksinstituut voor Natuurbeheer 1979. Natuurbeheer in Nederland: Levensgemeenschappen. Pudoc, Wageningen, pp. 295-301.
Noordijk, J., K. Musters & G. de Snoo, 2010). De ongewervelde fauna in akkerranden van verschillende ouderdom. De Levende Natuur 111 (3): 148-151.
Sissingh, G. (1950). Onkruidassociaties in Nederland. Proefschrift. Landbouwhogeschool Wageningen, pp. 224 +11 bijlagen
Snoo, G. & H.U de Haes (1994). Onbespoten akkerranden voor natuur, milieu en bedrijf. Landschap 11(4): 17-32.
Weeda, J.H.J. Schaminée & L. van Duuren (2003). Atlas van Plantengemeenschappen in Nederland: 3 Kust en binnenlandse pioniervegetaties. KNNV, Utrecht, pp. 256.