Akkerranden en biologische bestrijding van plaaginsecten
“Aan de chemische bestrijding van ongewervelde insecten en onkruiden zijn veel nadelige gevolgen verbonden. Als reactie hierop probeert men in toenemende mate, maar nog steeds op kleine schaal, ongewenste soorten door middel van biologische methodieken binnen acceptabele grenzen te houden. Op wereldschaal wordt al lang gezocht naar geleedpotigen die potentieel kandidaat zijn om te worden ingezet bij het terugdringen van plagen.” (Koster, 1988). Inmiddels is de schaal waarop biologische bestrijding wordt toegepast aanzienlijk uitgebreid. Niet alleen in kassen door middel van gekweekte insecten, maar ook door het benutten van de natuurlijke potenties in het landschap.
In vrijwel iedere vegetatie komen geleedpotige predatoren voor. Dat zijn kleine ongewervelde dieren zoals spinnen, roofmijten, loopkevers, kortschildkevers, zweefvliegen, gaasvliegen, roofwantsen, lieveheersbeestjes en sluipwespen die van andere kleine ongewervelde dieren leven. Deze ongewervelde predatoren zijn ook te vinden in de vegetatiestructuren die grenzen aan akkers. In de praktijk zijn dat ruige of extensief beheerde graslanden, ruigten, ingezaaide akkerranden en houtige begroeiingen zoals bos, houtwallen en heggen. Vanuit deze vegetaties trekken bovengenoemde geleedpotige dieren de akkers in om hun prooi te zoeken of er zelfs hun levenscyclus in te voltooien. Uit de literatuur blijkt, dat dit inzicht al lang bestaat (Linde, R.J. van de, 1946).
Niet alle predatoren die in deze aangrenzende vegetaties voorkomen, zijn even effectief voor de biologische bestrijding. Veel soorten zijn aan een bepaald microklimaat gebonden. Dit geldt vooral voor soorten die in houtige begroeiingen leven, zoals bossen en houtwallen. Sommige soorten zullen deze houtige begroeiingen niet verlaten, andere soorten doen dat wel. Onderzoek wees wel uit dat de invloed van predatoren die aan bos gebonden zijn afneemt naarmate de afstand van het bos groter wordt. In grazige vegetaties en pioniervegetaties heerst een microklimaat dat beter aansluit bij akkers. Ze  zullen daardoor ook beter geschikt zijn voor biologische bestrijding. (zie Literatuuroverzicht in Koster 1988 pp. 32-33). Dit blijkt ook uit recent onderzoek . Kruidachtige vegetaties die grenzen aan akkers leveren een belangrijke bijdrage aan het verminderen van plaaginsecten. (Scheele et al., 2007; Entomologische Berichten 67 (6).
 
Wat betekent dit voor het vegetatie-/landschapbeheer?
Intensief beheerde vegetaties, voornamelijk graslandvegetaties die meerdere keren per jaar worden gemaaid of geklepeld, dragen weinig of niets bij aan de biodiversiteit van het landschap. Ze leveren daardoor geen of een zeer beperkte bijdrage aan de biologische bestrijding van ongewervelde plaagdieren. Kruidachtige vegetaties die buiten de productiegronden liggen of daar aan grenzen moeten daarom zorgvuldig gefaseerd en gedifferentieerd worden beheerd. Vooral in kleinschalige landschappen kunnen houtwallen en andere houtige begroeiingen bijdragen aan biologische bestrijding.
Op deze pagina worden vooral voorbeelden gegeven van situaties die potentieel van betekenis zijn voor bijen. Bij een goed beheer en meer ruimte zijn de vegetaties langs akkers en aangenzende bermen ook zeer geschikt als habitat voor ongewervelde predatoren. Andersom geldt ook.  Akker- en Agroranden in eerste instantie bedoeld voor biologische bestrijding kunnen de bijenstand aanzienlijk verbeteren.
 
Isolatie
Akkers zijn vaak omgeven door wegen, sloten en natte greppels. Niet alle ongewervelde predatoren zijn in staat deze barrières te overbruggen. Vaak is dat ook een kwestie van tijd. Dit geldt vooral van loopkevers. Door allerlei technische constructies zijn deze barrières te verkleinen. Als akkerranden deel  uitmaken van het permanente milieu van predatoren zou dit probleem niet of veel minder spelen. Technisch gezien is dit zeer eenvoudig te realiseren, vooral op brede akkerranden. Als een substantiële breedte wordt gebruikt voor graslandvegetaties en ruigten die gefaseerd en gedifferentieerd worden beheerd, kunnen er in een aantal jaren levensgemeenschappen tot ontwikkeling komen die bevorderlijk zijn voor de regulatie van ongewervelde plaagdieren.
 
Wat is de win-win situatie voor bijen?
De vegetaties die op deze pagina worden genoemd, zijn bij een goed beheer van betekenis voor de totale biodiversiteit. De meeste vegetaties en beplantingen zijn ook van betekenis voor wilde bijen en vlinders en bloemrijke vegetaties ook voor honingbijen. Het hoeven niet altijd de bloemrijke akkervegetaties van weleer te zijn. Veel weinig opvallende kruiden zijn goede bijenplanten Daarnaast zijn landschappen met een diverse vegetatiestructuur ook van groot belang voor de recreatie. De verbetering van de bijenstand kan dus heel goed samengaan met andere ecologische en sociale doelstellingen.
 
Bronnen (het downloaden Van de pdf- documenten kan op oudere Pc-s enigetijd duren)
Coombes, D.S. & N.W. Sotherton (1986). The dispersal and distribution of polyphagous predatory Coleoptera in cereals. Annals of Applied Biology 108: 461-474.
Geertsema, W., V. Steingrover, W. Van Winderden, F. Alebeek & J. Rovers, Groenblauwe dooradering in de Hoeksche Waard, een schets van de gewenste situatie voor natuurlijke plaagonderdrukking. Alterra-rapport 1042. 35 pp.
Koster, A. , 1988. Insekteneter: Gewenst beheer van sterk door de mens beïnvloede levensgemeenschappen zowel in het landelijke als in het stedelijke gebied. KNNV en Adviesgroep Vegetatiebeheer.112 pp.
Linde, R.J. van de (1946). Over houtwallen. In: Besemer et al. 1949. In het voetspoor van Thijsse. Veenman, Wageningen. pp.112-128.
Meulen, H.A.B. van der, G.R. de Snoo & G.A.A. Wossink (1995). Perspectieven voor akkerrandenbeheer. Landinrichting 35 (5): 11-16.
Rijn, P. C.J. van, J. Noordijk & J. Bruin (2007). Agrobiodiversiteit nut en natuur. Entomologische Berichten 676) 183-283 (met zeer veel literatuurverwijzingen. Zie ook inhoud
(Scheele et al. (2007). Agrobiodiversiteit - nut en natuur. Entomologische Berichten 67 (6).
Snoo, G. & H.U de Haes (1994). Onbespoten akkerranden voor natuur, milieu en bedrijf. Landschap 11(4): 17-32.