Breedte agro/akkerrand als drachtgebied voor honingbijen
Hoe breed moeten akkerranden en agroranden zijn als (foerageer)drachtgebied voor honingbijen? Het antwoord is simpel: zo breed mogelijk! Als men uitgaat van 3 bijenvolken per ha bloeiend gewas, is er 10.000 m2 drachtgebied nodig. Hoe smaller de stroken zijn, des te verder de bijen moeten vliegen. Een akkerrand van een meter breed is niet erg effectief voor honingbijen, zeker niet in grootschalige landschappen. Bredere akkerranden bijvoorbeeld 3-6 meter zijn al een stuk effectiever. Als dat één lang gerekte strook zou zijn, en de bijenkasten centraal zijn geplaatst, dan is de hele strook voor bijen bereikbaar. Bij een relatief dicht net van akker/agroranden is een breedte van 3 tot 5 meter een redelijke afmeting. Vele tientallen bijenvolken kunnen er dan foerageren. Hoe dichter het net van akkerranden is, des te smaller ze in principe hoeven te zijn. Een ander punt is de biodiversiteit van de akkerranden. Ook hier geldt hoe breder hoe meer biodiversiteit. De vraag is of zeer brede bloemrijke akkerranden altijd te realiseren zijn.
Wat vooral belangrijk is, zijn de plaatselijke ecologische situatie en de discipline van de boer om akkerranden bij bemesting en chemische bestrijding maximaal te ontzien. De bodemfactoren spelen daarbij een enorme belangrijke rol. De ervaring bij het onderzoek van Nederlandse Spoorwegflora was dat smalle bufferzones (een greppel, sloot of een landweggetje) vaak voldoende waren om bijzonder plantensoorten in stand te kunnen houden.
Een akker/agrorand van 10 meter breed zal gemiddeld meer impact hebben dan een rand die smaller is, maar smalle akkerranden mogen ook niet worden uitgesloten. In Nederland komen  duizenden plekken voor die grenzen aan akkers en weilanden die intensief worden bemest, maar die toch een duidelijke indicatie geven dat ook smalle akker/agroranden ecologisch van betekenis kunnen zijn. Op deze pagina worden hier voorbeelden van gegeven.  Als de kwaliteit van het milieu relatief goed is en het beheer volgens ecologische principes plaats vindt, zou een breedte van 3 tot 5 m nog bevredigende resultaten kunnen opleveren. Op deze webpagina zijn tientallen voorbeelden opgenomen van situaties die aangeven dat bloemrijke akker/agroranden in relatief smalle stroken te realiseren zijn. Ook het onderzoek naar de flora van slootkanten geven aanwijzingen dat smalle stroken land van 1 to ca 3 m breed, die grenzen aan landbouwpercelen, waardevol voor de natuur kunnen zijn (onder meer Melman et al,2005; van de Linden et al., 1994)
De noodzakelijke breedte van akkerranden hangt ook af van andere ecologische functies en de ecologische situatie in het landschap. Akkerranden, die als broedgebied voor vogels zijn bestemd, zullen ze aan een minimumbreedte (9 m?) moeten voldoen. Ook voor de biologische bestrijding van plaaginsecten zullen relatief brede akkerranden beter functioneren dan zeer smalle. (Zie Biologische bestrijding.) Het functioneren van akkerranden hangt ook af van de aangrenzende landschapselementen en het beheer daarvan. De vraag is of de hele biodiversiteit in akkers alleen op de akkerranden steunt of dat  de aangrenzende landschapselementen ook een bijdrage leveren? Dit geldt zeker voor wilde bijen.