Ruigten voor bijen op het platteland

Bloemrijke ruigten komen voor op verlaten terreinen, in spoorbermen en -greppels en in landbouwgebieden meestal in greppels. Veel soorten van ruigten kunnen zich aan de randen van landbouwgronden goed handhaven zolang het beheer niet te intensief is en de vegetatie niet te veel onder invloed staat van bemesting. Als randen van productiegronden minder intensief worden bemest kan er met een gering productieverlies, natuur worden gegenereerd.-

 
 
Grote wederik is door zijn gele kleur een opvallende plant in het landschap. In het cultuurlandschap groeit hij het meest in natte bermen op in greppels. Grote wederik is een zeer belangrijke plant voor de slobkousbij die volledig van deze plant afhankelijk is. Als zulke vegetaties te vroeg worden gemaaid, wordt de bloei uitgesteld of onderbroken. De bij verdwijnt dan direct.
   
Moerasspirea in landschap -- De bloemenrijkdom in het landelijke gebied is vaak volledig afhankelijk van bermen, greppels en slootkanten. Om de floristische diversiteit en de recreatieve waarde van zulke landschappen te vergroten is een gedifferentieerd beheer noodzakelijk. (Ederveen 2000)
   
Op kleine schaal een ideaalbeeld van natte ruigte in een natte greppel met daarin koninginnekruid, moerasspirea, grote wederik en echte valeriaan. Op deze plek kwamen na 2000 slobkousbijen voor(Renswouden 2000)
 
Echte valeriaan in natte ruigte.
   
Poelruit. (Omgeving Giethoorn 1990)
   
Sommige ruigtenplanten zijn zeer goede bijenplanten. Dit zijn vooral reuzenberenklauw en Japanse duizendknoop. Deze planten breiden zich onomkeerbaar uit. Dat gaat ten koste van de flora en de daarmee samenlevende fauna. Aanplanten van deze soorten moet worden ontraden. (Binnenveld Wageningen 2002)
   
In natte voedselrijke milieus kan koninginnekruid goed groeien. Tussen 1972 en ca 1995 was deze greppel door intensief beheer vrijwel onbegroeid. (Ede 1998)
   
Late guldenroede is een soort die vooral decennia geleden veel in tuinen werd aangeplant. Het is een soort die gemakkelijk verwildert en zich snel verspreidt en evenals Canadese guldenroede zeer massieve haarden kan vormen. Op vele honderden vierkante meters kunnen beide soorten dominant voor komen. Leuk voor honingbijen, maar door het verdwijnen van andere bijenplanten, zeer slecht voor wilde bijen.
   
In een (boeren) tuin grenzend aan een maisakker en andere intensieve landbouwgronden, groeit aardpeer en late guldenroede. (Gelderse Vallei, Gemeente Scherpenzeel 2009).
   
Wilgenroosje komt frequent langs het spoor voor, een goed drachtmogelijkheid voor bijen(Elst Betuwe 1989)
   
Op niet te arme of te droge zandgronden kan wilgenroosje ook in grote tuinen massaal tot ontwikkeling komen. De vestiging is hier, evenals de singel, volledig spontaan. De tuin grenst aan beide zijden aan intensief beheerd en bloemloos weiland. (Lutte 1999)