Samenvatting en suggesties
Er zijn veel mogelijkheden om het intensieve agrarisch landschap bloemrijker te maken. Vooral honingbijen kunnen hiervan profiteren. Dit geldt ook voor hommels, maar wel onder voorwaarde dat ook in het voorjaar en in de nazomer voldoende bloeiende planten voorkomen.
Het rendement voor wilde bijen hangt vooral af van de jaarlijkse continuïteit van de bloeiende landschapselementen en van de nestgelegenheid. Vooral op zware kleigrond is de bodem voor de meeste wilde bijen moeilijk toegankelijk en bovengrondse nestgelegenheid ontbreekt meestal op grote schaal. Dat betekent echter niet dat het voor wilde bijen onmogelijk is om zich in intensieve landbouwgebieden te vestigen. De habitats van bijen mogen dan niet in contact komen met pesticiden.
Om de positie in plattelandsgebieden voor wilde bijen te verbeten is een mogelijkheid zeer zeker: dat zijn de dorpen, boerenerven, kerkhoven buitenplaatsen, volkstuincomplexen, kampeerterreinen, buitenstedelijke recreatieterreinen en sportcomplexen; daarnaast zijn er allerlei mogelijkheden langs de infrastructuur zoals kanaal- en rivierdijken bermen en houtige begroeiingen langs recreatieve fiets en wandelroutes. Er zijn allerlei landschapselementen waarvan de directe omgeving bloemrijker gemaakt zou kunnen worden.
Op het kerkhof van Loënga bij Sneek kwamen wilde bijen in de jaren negentig van de vorige eeuw al talrijk voor; allerlei cultuurhistorische elementen bevatten vaak nestgelegenheid voor wilde bijen; oude gemalen, fabrieken (tichelwerk bij Winsum, oude dijken (Slachtedijk in Friesland); terpen als Hogebeintum in Friesland; oude tram- en spoorbanen die overal in het land agrarisch gebied doorsnijden en waar tussen 1980 en 1990 wilde bijen hier al op veelplekken voorkwamen zoals de Zak van Zuid-Beveland, Zuidbroek - Ter Apel, Groningen-Drachten, Uden-Gennep.
De vragen die voor de intensieve landbouw gebieden moeten worden gesteld zijn:
- Waar bevinden zich de kansrijkste plekken in het landschap?
- waar bevinden zich in kleigebieden de lichtere bodems en wat zijn de mogelijkheden voor landschappelijke beplantingen?
- Waar kunnen op lichtere bodems (zand-leem) landschappelijke beplantingen worden aangelegd, bij voorkeur houtwallen?
- Kunnen op zandige bodems greppelkanten zodanig worden gemaaid dat de bodem pleksgewijs open blijft voor nestgelegenheid?
- Wat kunnen boerenerven bijdragen aan het voedselaanbod en nestgelegenheid voor wilde bijen?
- Waar zijn op de zand en lichte leem gronden onverharde wegen mogelijk die als nestgelegenheid kunnen dienen.
- Waar zijn strategische combinaties te maken van akkerranden en andere landselementen: bijvoorbeeld met bermen, houtwallen en singels, kanaaloevers, dijken, dorpsranden. Een ander zeer belangrijke vraag is hoe er kan worden samengewerkt met andere landschapsbeheerders zoals waterschappen, waterleidingbedrijven, gemeentelijke groenbeheerders.
Als we de wilde bijen in het intensive agrarische landschap willen bevorderen gaat het niet zo zeer om het aantal kilometers akkerrand, maar om strategische combinaties van verschillende landschapselementen die voldoen aan de levensbehoefte van wilde bijen: voedsel en nestgelegenheid. Kortom het is misschien beter te zoeken naar kleinschalige, slimme en duurzame lanschapscombinaties dan afzonderlijke grootschalige landschapselementen zoals akkerranden. Als het alleen om honingbijen gaat maakt dat natuurlijk helemaal niets uit. Dan gaat het alleen om stuifmeel en nectar.