Natuur in de stad
Een goed stedelijk ecosysteem wordt gekenmerkt door biologische verscheidenheid. Door goed ecologische beheer, zal deze verscheidenheid toenemen.
In het stedelijk ecosysteem zijn mensen het meest van alle organismen in staat om invloed uit te oefenen op hun eigen levensvoorwaarden. Hierbij streven ze naar welzijn en welvaart. Bij welzijn gaat het ook om vrijheid van keuze; onder meer om de keuze van openbaar groen. In dit groen zijn twee hoofdrichtingen te kiezen: cultuurlijk groen, waarin exotische soorten vaak aanwezig zijn en dat gewoonlijk netjes wordt onderhouden en natuurlijk groen waarin natuurlijke processen de voornaamste rol spelen en het onderhoud of beheer op deze processen zijn afgestemd. Deze verschillen houden echter niet in dat in het ene groen wel en in het andere groen geen natuur voorkomt. Dat dit heel goed met elkaar samen gaat zie we vooral bij de cultuurlijke vlinderstruik die het meeste door onze inheemse vlinders wordt bezocht. Volledige tekst
 
Natuur tegenover cultuur
Deze pagina is afkomstig uit een hoofdstuk van: Koster, A., 2001. Openbaar groen op ecologische Grondslag. Proefschrift, Landbouwuniversiteit Wageningen. 264 p. De literatuurlijst is aangepast. Het proefschrift is als pdf-file beschikbaar.
In het stedelijk ecosysteem zijn mensen het meest van alle organismen in staat om invloed uit te oefenen op hun eigen levensvoorwaarden. Hierbij streven ze naar welzijn en welvaart. Bij welzijn gaat het ook om vrijheid van keuze; onder meer om de keuze van openbaar groen. In dit groen zijn twee hoofdrichtingen te kiezen: cultuurlijk groen, waarin exotische soorten vaak aanwezig zijn en dat gewoonlijk netjes wordt onderhouden en natuurlijk groen waarin natuurlijke processen de voornaamste rol spelen en het onderhoud of beheer op deze processen zijn afgestemd. Deze verschillen houden echter niet in dat in het ene groen wel en in het andere groen geen natuur voorkomt. Het is overigens de vraag of er een onderscheid bestaat tussen natuurlijk en cultuurlijk groen. Als het bestaat, is het zeer vaag (zie ook Londo & Van Wirdum 1994) We zouden de vraag kunnen stellen: bestaat er plantaardig groen dat niet natuurlijk is? Het lijkt onwaarschijnlijk dat er organismen bestaan die zich aan de wetten van de natuur onttrekken. Met andere woorden cultuurlijk groen bestaat eigenlijk niet. Het predikaat ‘cultuurlijk’ heeft betrekking op menselijk handelen, niet op het organisme zelf. Cultuurlijk groen is dan eigenlijk natuur die voornamelijk door menselijk handelen wordt beïnvloed. Wat wellicht belangrijker is dat cultuur natuur niet hoeft uit te sluiten.
Bij een beperkte definitie zal er een hemelsbreed verschil bestaan tussen het begrip cultuurlijk groen en het begrip natuur. Groen is dan het gecultiveerde, bijvoorbeeld de theerozen in het aangeharkte rozenperk en natuur zou men kunnen zien als het ongerepte: die vorm van natuur die zich buiten de invloed van de mens ontwikkelt. Als we ons dan gemakshalve tot Nederland beperken, blijkt al snel dat het ongerepte al lang niet meer bestaat. Waar de natuur tegenwoordig min of meer ongerept zou kunnen zijn, worden als onderhoud of beheermaatregelen Schotse Hooglanders losgelaten of andere grazende en rovende dieren die doelstellingen moeten realiseren die door mensen zijn bedacht. Wat als natuur wordt ervaren, zijn vaak overblijfselen van oude cultuurlandschappen en een landschap als de Waddenzee zou er zonder menselijk toedoen totaal anders uitzien. Zelfs de meest afgelegen en onherbergzame delen van onze planeet dragen meer sporen van menselijke beïnvloeding dan wenselijk is. Wat is natuur dan in de stad? Alles in en om de stad is door mensenhanden gemaakt; dit is het kader waarbinnen natuur zich mag ontwikkelen.
 
De stad voor de natuur
In vele toonaarden is beschreven dat de stad voor de natuur van betekenis is (onder meer: Andritzky & Spitzer 1981; As 1990; Brinkkemper 1982; Crispijn 1999; Gilbert 1989; Van Halm 1992; Van Halm et al. 2001; Koster 1985-2001c ; Kunick 1983; Lanuyt 1997; Ligteringen & Meter 1995; Makatsch 1964; Maréchal & Veenhuizen 1997; Melchers & Timmermans 1991; Melchers & Daalder 1996, 1999; Muller 1988; Nicholson 1987; Schulte & Voggereiter 1988; Segal 1969; Smulders 1985; Sukopp 1982, 1984, 1990; Vos 1992; Werkgroep Bedreigde Muurplanten 1988). Stedelijk groen speelt hierbij impliciet of expliciet een belangrijke rol. De stad van nu kunnen we zien als een agglomeratie van habitats, vanuit de natuur gezien een smeltkroes van allerlei landschapstypen waarin talloze soorten hun levenscyclus of een gedeelte daarvan volbrengen. Naarmate steden groter en groener worden, zien we het aantal soorten toenemen (Cornor & McCoy 1979; Faeth & Kane 1978; Koster 1988b; Mühlenberg 1983). Soorten die vroeger in hoofdzaak bekend waren van bos, hei en open water zijn tegenwoordig volop in de stad aanwezig. We zouden kunnen stellen dat er een geweldig evolutieproces aan de gang is. Evolutie is te zien als een experiment van de natuur. Door dispersie komen individuen van soorten in nieuwe situaties. Door een proces waarin selectie en genetische aanpassing een rol spelen, wordt bepaald of een soort wel of niet in de stad kan leven. Bezien we het aantal soorten dat in de steden voorkomt, dan mogen we stellen dat de resultaten van dit evolutieproces overweldigend zijn. De Scholekster (Haematopus ostralegus) die een halve eeuw geleden nog een typische wadvogel was, broedt sinds jaren op allerlei platte daken in de stedelijke omgeving. De Aalscholver (Phalacrocorax carbo), dertig jaar geleden nog beperkt tot enkele plekken in Nederland, komt tot diep landinwaarts in allerlei stadsvijvers voor. De meeste grote steden koesteren een vos in het openbaar groen, de Bijenwolf (Philanthus triangulum) die in 1973 bijna in Nederland was uitgestorven, is nu meer een stadsdier dan een soort van de heide. Zelfs Sleedoornpage (Thelca betulae), een bedreigde vlindersoort, blijkt in de stad zijn levenscyclus te kunnen voltooien (Van der Velden 1996). Het zijn slechts enkele voorbeelden uit een lange reeks.
Aan de stedelijke natuur kunnen houtige begroeiingen een belangrijk bijdrage leveren. Het zijn biotopen voor onze inheemse flora en fauna. Voor solitaire bijen is dat nader onderzocht. Begroeiingen die ecologische worden beheerd, zijn goede biotopen voor solitaire bijen (Koster 2000a,b). Ook voor vogels zijn ze van belang. ‘Op vele plaatsen heeft de mens zeer vogelrijke milieus geschapen. De aantallen vogels, die in boomrijke dorpen, in parken en in parkachtig beplante bossen huizen, overtreffen in het algemeen de getallen uit wildere streken.’ (Tinbergen 1967)
groeiingen in de stad voor vogels een belangrijke rol spelen (Maréchal & Veenhuizen 1997). Als we natuur in de stad meer vanuit de menselijke kant benaderen, kan de vraag worden gesteld wat we eraan hebben of wat het ons oplevert. Het is aannemelijk dat natuur in haar totaliteit bijdraagt aan de kwaliteit van de leefomgeving. In de volgende paragrafen wordt dit nader toegelicht. Natuur in de stad, vooral diverse natuur, kan een buffer vormen tegen plagen. Een ongeremde ontwikkeling van sommige soorten kan tot plagen of tot overlast leiden. Een zekere diversiteit kan ertoe bijdragen dat dit minder snel gebeurt. Eenzijdigheid in het milieu kan leiden tot grote populaties van bepaalde soorten (vergelijk Gruys et al. 1985). Of iets als een plaag wordt ervaren, hangt van maatschappelijke factoren af. In het verleden hebben ratten rampen veroorzaakt. Brasem (Abramis brama) wordt door veel sportvissers niet als een last gezien, maar de ecologische kwaliteit van het water ten gevolge van deze vissoort wordt door anderen als een plaag ervaren. Aalscholvers genieten de status van bescherming, maar omdat ze geen natuurlijke vijanden hebben is er een explosieve groei in de populatie te zien. Midden in de woonwijken van Amsterdam-Noord komt op sommige plaatsen Konijn (Oryctolagus cuniculus) talrijk voor. Hij leeft hier vrijwel zonder natuurlijke vijanden. Zolang de konijnen gezond zijn, dragen ze in het algemeen bij aan de kwaliteit van de woonomgeving. Als er echter myxomatose uitbreekt, kan dat zowel voor de beleving als voor de hygiëne nadelige gevolgen opleveren. In de stad komen ook predatoren voor die een regulerende functie hebben zoals Wezel (Mustela nivalis), Hermelijn (Mustela erminea), Vos (Vulpes vulpes), Torenvalk (Falco tinnunculus), Sperwer (Accipiter nisus), Bosuil (Strix aluco) en Ransuil (Asio otus) die alle een bijdrage kunnen leveren aan de regulatie van kleine zoogdieren en sommige vogels.
Insectenetende vogels, rovende insecten als wespen en graafwespen, lieveheersbeestjes en spinnen kunnen een buffer vormen voor te grote toename van minder gewenste insecten. Habitatvariatie in het stedelijk groen kan zo’n buffer bevorderen. Dat wil niet zeggen dat er sprake is van een perfect biologisch evenwicht, dat is in het tropisch oerwoud ook niet steeds het geval (Wolda 1978) en zeker niet in de stad.
 
Betekenis van groen en natuur voor een gezond stedelijk ecosysteem
Gezondheid is van vele factoren afhankelijk en bepaalt in hoge mate het welzijn. Omgekeerd is welzijn is van invloed op de lichamelijke en geestelijke gezondheid van de mens. De groene omgeving speelt hierbij een niet te onderschatten rol. Een voorbeeld is de invloed van het groen, met name bomen en struiken, op het stadsklimaat. Houtige begroeiingen hebben een gunstige invloed op het stadsklimaat: ze temperen de temperatuur, zorgen voor enige stoffiltratie en voor een betere luchtvochtigheid en kunnen een bijdrage leveren om achtergrondgeluiden te beperken (Deelstra 1991). Daarnaast gaat het ook om andere aspecten die de kwaliteit van de woon- en werkomgeving bepalen zoals een fraaie stad en een groene omgeving (Andritzky 1991; Bijma et al. 1995; Deelstra 1991; Farjon et al. 1997; Jansen-Verbeke 1995; Katteler & Kropman 1975; Koster 1994; Kropman 1987; Langeveld 1995; Mulder-Radetzky 1992; Van Rooijen 1984, 1986; Sheets & Manzer 1991; Smardon 1988; Tjallingii 1995; Tummers 1995; Van der Woud 1987; Vandromme 1988a,b, 1992a,b; Te Velde 1995; Waelput 1988; Van Zoest 1998a-c).
Bomen en struiken worden als onmisbare bouwstenen beschouwd voor de leefbaarheid van de stad (De Clercq & De Wael 1992; Schouten 1992; VLAM 1995). De betekenis hiervan gaat verder dan het actieve gebruik van groen. Groen heeft een positief effect op de waardering van de bebouwde omgeving. Zo worden gebouwen met groen positiever gewaardeerd dan zonder of met weinig groen (Herzog 1989; Sorte 1992).
Onderzoek wijst uit dat natuur en groen ook vanuit de gezondheidszorg positief worden gewaardeerd. Natuur in de naaste leefomgeving vermindert stress en heeft een positieve invloed op de gezondheid (Arkel 1994; Hartig et al. 1991; Kaplan 1983, 1993; Kaplan et al. 1983, 1989, 1993; Sorte 1992, 1995; Ulrich 1994-1996). Zelfs alleen al het uitzicht op groen of het zien van planten heeft al een positieve invloed op de gezondheid of op de kwaliteit van de leefomgeving (Heerwagen & Orians 1986; Moor 1982; Ulrich 1993, 1996; zie ook Van Leeuwen 1997). De voorzitter van de Landelijke Vereniging van GGD-en vat dit als volgt samen.
Evenals sport en cultuur twijfelt eigenlijk niemand aan de waarde van natuur in onze directe leefomgeving. De heilzame werking van een groene omgeving op het menselijk functioneren werd in het verleden, en wordt ook nu nog, voetstoots aangenomen. Ook uit wetenschappelijk onderzoek blijkt de waarde van de natuur voor de mens. Artsen en psychologen die zich bezighouden met de invloed van de omgeving op het welbevinden van mensen wijzen op de positie­ve effecten die hiervan kunnen uitgaan voor de volksgezondheid. Zo blijkt dat ouderen wanneer zij uitkijken op een natuurlijke omgeving minder vaak gezondheidsklachten hebben dan ouderen die uitkijken op een overwegend bebouwde omgeving. Onderzoek geeft ook sterke aanwijzingen dat in geval van herstel bij ziekte het genezingsproces door verblijf in een groene omgeving sneller kan verlopen. De betekenis van natuur in de directe leefomgeving neemt toe naarmate mensen ouder worden en minder mobiel zijn. Natuur in de directe omge­ving kan dan aanzienlijk bijdragen aan de kwaliteit van het bestaan. Van de kleur groen is bekend dat het rustgevend is en bijdraagt aan een gevoel van ontspanning. Natuurlijk groen biedt daarnaast mogelijkheden voor lichaamsbeweging, educatie, recreatie en ontspanning. Kortom, het verhoogt de kwaliteit van de omgeving en daarmee die van ons bestaan en kan direct en indirect de volksgezondheid bevorderen. Gezondheid is het resultaat van veel factoren. Inkomen, huisvesting, opleiding, vaardigheden en de beschikbaarheid van een goede gezondheidszorg spelen daarin en belangrijke rol. De Wereld Gezondheids Organisatie (WHO) omschrijft gezondheid als een toestand van lichame­lijke en geestelijk welzijn. We hebben gezien dat natuur in de directe woon- en leefomgeving aan deze toestand op een heel bijzondere wijze kan bijdragen. In onze complexe technologi­sche samenleving met zijn snelle maatschappelijke veranderingen kan een natuurlijke omgeving voor elk mens een ankerpunt voor gezondheid zijn.’ (Van Arkel 1994)
 
Landschappelijk betekenis
De grens tussen stad en platteland vervaagt meer en meer (Boer 1982; Koster 1996). Veel plattelandsgebieden zijn door een stedelijke bebouwing omsloten. Midden-Delfland, het Wageningse Binnenveld en andere gedeelten van de Gelderse Vallei, delen van het Groene Hart, gebieden in Twente, Zuid-Limburg en rond Amsterdam. Al deze gebieden hebben hun eigen karakter. Houtige begroeiingen kunnen geschikt zijn om dit karakter te versterken, maar dat werkt waarschijnlijk alleen bij een planologie waarbij de bebouwde omgeving optimaal in het landschap wordt ingepast. In de stad zelf spelen houtige begroeiingen een belangrijke rol bij de indeling en de structuur van de stad, onder meer als verbinding tussen grotere groengebieden en de woning. Het zijn belangrijke elementen om fiets- en wandelroutes door de stad en in het overgangsgebied van de stad naar het platteland te begeleiden. Ze kunnen belangrijk zijn voor de ecologische infrastructuur en voor natuur en recreatie zijn het onmisbare elementen in het stedelijke landschap (Antrop 1989, 1991; Hermy & De Blust 1997; Haartsen et al. 1989; Vandromme 1992a,b).
In grote lijnen zijn twee aspecten te onderscheiden: het landschapsecologische en het cultuurhistorische aspect. Bij het landschapsecologische aspect gaat het er vooral om aan te sluiten bij de meest natuurlijke of potentieel-natuurlijke vegetatie, dus wat de natuur te bieden heeft. Dat houdt in dat bijvoorbeeld in veengebieden houtige begroeiingen een andere soortensamenstelling hebben dan de begroeiingen op de Veluwe of in Zuid-Limburg. In het ene landschap is Zwarte els karakteristiek, in het andere kan dat Beuk of Zomereik zijn. Bij het cultuurhistorische aspect sluit men veel meer aan bij het gebruik van de soorten en begroeiingstypen in het omliggende landschap. Zo kunnen in het rivierengebied meidoornhagen verwijzen naar het heggenlandschap in de uiterwaarden. Een begroeiing met fruitbomen of eventueel coniferen kan verwijzen naar de tuinbouweconomie die het stempel op de omgeving heeft gezet. Plaatsen die op overgangszones liggen, kunnen twee of meer gezichten krijgen. Zo sluit Wageningen aan op de Veluwe, de Gelderse Vallei en het rivierengebied. Houtige begroeiingen geven deze gebieden een eigen gezicht. Een weerspiegeling hiervan in de stedelijke groen draagt bij aan de identiteit van de stad en aan een verwevenheid van die stad met het omliggende landschap.
 
Natuur- en milieu-educatie
Natuur- en milieu-educatie is al tientallen jaren een strategie om mensen bij natuur, milieu en hun eigen leefomgeving te betrekken. Het komt erop neer dat men in het algemeen niet wil dat planten en dieren door menselijk handelen uitsterven en dat de mens zelf geen slachtoffer wordt van zijn eigen (collectief) handelen. Niet iedereen is of was zich daarvan bewust. Dit leidde tot individuele en collectieve acties (Carson 1963; Russell 1952) die op hun beurt weer hebben bijgedragen aan het ontstaan van de moderne natuur- en milieu-educatie. Wat deze begrippen inhouden wordt als bekend verondersteld. Natuur- en milieu-educatie is niet alleen voor soortbehoud en zelfbehoud; voor velen kan het ook een verrijking van het leven betekenen, een boodschap waaraan Jac. P. Thijsse zijn leven heeft gewijd.
Natuur- en milieu-educatie heeft sinds ‘Dode lente’ (Carson 1963), het Europees Natuurbeschermingsjaar 1970 en het werk van de Club van Rome veel aan betekenis gewonen. Ook recente publicaties maken dit duidelijk (Bink et al. 1994; Hettinga 1987; Hoeven-van Doornum 1992; Margadant-van Arcken 1990, 1994). Nationaal en internationaal wordt het belang van natuur- en milieu-educatie onderkend (Natuurbeschermingsraad 1985-1993; Vlijm & Duijnhouwer 1992). Essentieel hierbij is dan men oog krijgt voor de natuur in zijn eigen leefomgeving. Het Comité voor het Europees Natuurbeschermingsjaar beschreef de noodzaak in 1995 als volgt:
De Raad van Europa heeft 1995 uitgeroepen tot het Europees Natuurbeschermingsjaar. Ons land doet daar, samen met 43 andere landen, actief aan mee. In tegenstelling tot het Europees Natuurbeschermingsjaar 1970 staat in 1995 de bescherming van de natuur buiten de beschermde gebieden centraal. Een van de speerpunten hierbij is de verbetering van de kwaliteit van de natuur in de woon- en leefomgeving van dorp en stad. In alle landen van Europa is de politieke en maatschappelijke belangstelling voor de natuur nog steeds geen vanzelfsprekendheid. Met de wetenschap dat belangstelling voor de natuur de wortel is van een duurzame samenleving, zou dat ons met grote zorg moeten vervullen. Immers aan de kwaliteit van de natuur is zowel plaatselijk als mondiaal de kwaliteit van onze woon- en leefomgeving af te lezen. (..) Belangstelling voor de natuur is een houding, is actieve betrokkenheid bij het landschap en de natuurlijke processen die zich daar afspelen. Het Comité voor het Europees Natuurbeschermingsjaar wil deze betrokkenheid weer activeren. In de eerste plaats door de natuur buiten, in de directe woon- en leefomgeving, weer bewust te laten herontdekken en beleven.’
 
Invloed op sociale contacten
Groen is er niet alleen voor de individuele behoefte, het is bij uitstek een plek om elkaar te ontmoeten of om gezamenlijk wat te ondernemen. Groen is een plek waar men kan sporten, spelen, barbecuen en intieme relaties kan onderhouden. Al deze aspecten worden vaak in verband gebracht met de grotere groenelementen. Gebleken is dat ook het groen in de straat mogelijkheden biedt voor sociale contacten en activiteiten en daardoor kan bijdragen aan sociale integratie van de buurt. Individuele betrokkenheid kan op die manier uitgroeien tot collectieve betrokkenheid. Le Roy heeft dat in de jaren zeventig in de nieuwe stadswijk Lewenborg in Groningen in praktijk gebracht (Deelstra 1991). Aanvankelijk gebeurde dat met succes, later liep dit sterk terug. De ervaringen die zijn opgedaan zijn waardevol; het is in ieder geval een belangwekkend leerproces geweest. Het was een duidelijke en belangwekkende stap om bewoners bij hun eigen woon- en leefomgeving te betrekken. Hoewel Le Roy veel kritiek heeft ondervonden (maar dat ondervinden vrijwel alle vernieuwers), zijn diens ideeën over sociale integratie zeker niet weggeëbd. Integendeel, bewonersparticipatie zoals dat tegenwoordig wordt genoemd, mag zich verheugen in een toenemende belangstelling (Geerken 1986; Hiele 1995; Koning & Tjallingii 1991; De Leeuw 1995; Oort 1992; Steltman 1986; Te Velde 1995; Vet et al. 1997).
In veel steden, zelfs in dorpen zien we dat, al dan niet in het kader van renovatie, bewoners betrokken zijn bij ontwerp, aanleg en beheer van de groene ruimte in de straat of in de buurt. Er wordt niet alleen gepraat over een plan, maar bewoners helpen ook mee bij de aanleg en doen grotendeels ook zelf het beheer. Voorbeelden zijn: Spijkerkwartier (Arnhem), Bottendaal en Patersbos (Nijmegen), Bikkershof (Utrecht). Bekend is ook het ‘opzomeren’ in Rotterdam (Deze activiteit is genoemd naar de Opzomerstraat waar deze voor het eerst is georganiseerd). Dit houdt in dat de straat wordt schoongemaakt en schoongehouden en groene elementen krijgt. De bewoners zorgen daar zelf voor. In ruil daarvoor biedt de stad Rotterdam andere diensten aan (Van der Lans 1995). Sociale integratie is hierbij een belangrijk aspect. Wat we nu zien zou 15-25 jaar geleden onmogelijk worden geacht. Toen werd het niet toegestaan om een tegel uit de stoep te lichten, nu worden er voorlichtingsavonden gehouden en geven gemeenten folders uit om tegel- en geveltuinen te bevorderen (Koster 1998c). Bij zulke activiteiten spelen ook kleinschalige houtige begroeiingen een rol.
 
Literatuur
Andritzky, M. & K. Spitzer (red.) 1981. Grün in der Stadt. Rowohlt, Reinbek bei Hamburg. 488 p.
Antrop, M. 1989. Het landschap meervoudig bekeken. Monografieën Stichting Leefmilieu 30. Antwerpen. 400 p.
Antrop, M. 1991. De landschappelijke betekenis van "groen". Groenkontakt 17, 1: 39-46.
Arkel, W.G. van 1994. Pleiten voor natuur is pleiten voor gezondheid. In: A. Koster, De groene omgeving: een bijdrage aan een gezonde samenleving. Schuyt, Haarlem; 9-11.
Asperen, H.S. van 1983. Samenhang ontwerp - uitvoering bij het scheppen en instandhouden van groenvoorzieningen. Landbouwhogeschool, Wageningen. 327 p.
Born, R.J.G. van den, R.H.J. Lenders, W.T. de Groot & Ellen Huijsman (2001). The new biophilia: an exploration of visions of nature in Western countries. Environmental Conservation 28: 65-75.
Bosch Slabbers, Den Haag. 35 p. Coeterier, J.F. & M.B. Schone (1999). Natuur als leefomgeving: struinen en landschapsbeleving. Reeks Operatie Boomhut 5. Staringcentrum, Wageningen, pp. 77.
Bijma, A. et al. 1995. Parkboek Wilhelminapark 1895-1995. Zandbergse Boekstichting, Breda. 80 p.
Carson, R. 1963. Dode lente. Becht, Amsterdam. 272 p.
Clercq, H. de & J. de Wael 1992. Bomen in de stad: soms opvallend onmisbaar. Groenkontakt 18, 2: 43-46.
Deelstra, T. 1991. Natuur in steden. Ministerie van Landbouw en Visserij. Directie Natuur, Milieu en Faunabeheer, Den Haag. 215 p.
Dubbink, W & D. Huitzing (1999). Natuur als leefomgeving: wandelen in natuur en landschap van de 21ste eeuw: natuur en natuurbeleid filosofisch bekeken. Reeks Operatie Boomhut 9. Informatie- en KennisCentrum Natuurbeheer, Wageningen, pp. 76.
Farjon, J.M.J., N.F.C. Hazendonk & W.J.C. Hoeffnagel (red.) 1997. Verkenning natuur en verstedelijking 1995-2020. IKC Natuurbeheer, Wageningen. 152 p.
Fontaine, F.J. 1984a. Openbaar groen en leefmilieu. Groen 40, 5: 178-184.
Geerken, G. 1986. Openbaar groen en privé dichter bij elkaar. Groen 42, 4: 19-21.
Haartsen, A.J. et al. 1989. Levend verleden: een verkenning van de cultuurhistorische betekenis van het Nederlandse landschap. Ministerie van Landbouw, Natuurbeheer en Visserij, Den Haag. 167 p.
Hartig, T.A., M. Mang & G.W. Evans 1991. Restorative effects of natural environment experiences. Environment and Behavior 23, 1: 3-26.
Heerwagen, J. H. & G. Orians 1986. Adaptations to windowlessness: a study of the use of visual decor in windowed and windowless offices. Environment and Behavior 18, 5: 623-639.
Henke, H. & H. Sukopp 1986. A natural approach in cities. In: A.D. Bradshaw, A.A. Goode & E. Thorp, Ecology and design in landscape. Blackwell, Oxford; 307-324.
Hermy, M. & G. de Blust 1997. Punten en lijnen in het landschap. Schuyt, Haarlem; Van de Wiele, Brugge. 336 p.
Hettinga, G. 1987. Kind en natuur. Van Loghum Slaterus, Deventer. 181 p.
Heytze, J.C. & L.H.E. Herbert 1991. Waardering van bosbeelden door recreanten. Rapport 665. De Dorschkamp, Instituut voor Bosbouw en Groenbeheer, Wageningen. 76 p. + bijlage.
Hielhe, J.E.C. 1995. Zwols wijkbeheer met groene vingers. Groen 51, 9: 16-19.
Hoeven-van Doornum, A.A. 1992. Kinderen over het milieu. Instituut voor Sociale Wetenschappen, Nijmegen. 173 p.
Hung, K. & J.L. Crompton (2006). Benefits and constraints associated with the use of an urban park reported by a sample of elderly in Hong Kong. Leisure Studies 25 (3): 291-311.
Jansen-Verbeke, M. 1995. Maatschappelijke betekenis van openbaar groen. Groenkontakt 21, 2: 19-24.
Kaplan, R. & S. Kaplan 1989. The experience of nature, a psychological perspective. Cambridge University Press, Cambridge. 340 p.
Kaplan, R. 1983. The role of nature in the urban context. In: I. Altman & J. F. Wohlwill, Behavior and the natural environment. Plenum Press, New York; 127-161.
Kaplan, R. 1984. Impact of urban nature: a theoretical analysis. Urban Ecology 8, 3: 189-197.
Kaplan, R. 1993. The role of nature in the context of the workplace. Landscape and Urban Planning 26, 1/4: 193-201.
Kaplan, S. & J.F. Talbot 1983. Psychological benefits of a wilderness experience. In: I. Altman & J. F. Wohlwill, Behavior and the natural environment. Plenum Press, New York; 163-203.
Kaplan, S. & C. Peterson 1993. Health and environment: a psychological analysis. Landscape and Urban Planning 26, 1/4: 17-23.
Katteler, H.A. & J.A. Kropman 1975. Openluchtrecreatie buiten de woonkern: kompensatie of komplement. Onderzoekverslag. Instituut voor Toegepaste Sociologie, Nijmegen. 305 p. + bijlagen.
Koning, E., & S.P. Tjallingii 1991. Ecologie van de stad, een verkenning. Platform Stadsecologie, Den Haag. 147 p.
Koster, A. 1994. De groene omgeving: een bijdrage aan een gezonde samenleving. Schuyt, Haarlem. 184 p.
Koster, A. 1998c. Van tegeltuin tot lusthof. Een verkenning van de mogelijkheden voor groen en natuur in groenarme straten, buurten en compacte woonwijken of Vinex-locaties. IBN-rapport 391. Instituut voor Bos- en Natuuronderzoek, Wageningen. 391. 42 p.
Koster, A. 1999. Honingwinning in relatie tot maatschappelijke aspecten. IBN-rapport 438. Instituut voor Bos- en Natuuronderzoek, Wageningen. 86 p.+ bijlage.
Lans, J. van der, 1995. De onzichtbare samenleving: beschouwingen over de publieke moraal. Nederlands Instituut voor Zorg en Welzijn, Utrecht: 139 pp.
Leeuw, J. de 1995. Campagne ‘natuur in de buurt’ betrekt bewoners bij natuurlijk groenbeheer. Groen 51, 10: 9-12.
Leeuwen, M.G.A. van 1997. De meerwaarde van groen voor wonen: een regionale analyse. Mededeling 576. Landbouw-Economisch Instituut, Den Haag. 58 p.
Londo, G. & G. van Wirdum 1994. Natuurlijkheidsgraden en natuurontwikkeling. De Levende Natuur 95, 1: 10-16.
Margadant-van Arcken, M. 1990. Groen verschiet. Natuurbeleving en natuuronderwijs bij acht- tot twaalfjarige kinderen. Sdu Uitgevers, Den Haag. 192 p.
Margadant-van Arcken, M. 1994. Natuur en milieu uit eerste hand. Denkbeelden, belevingen en leerwensen van dertien- tot achttienjarigen. Sdu Uitgevers, Den Haag. 169 p.
Nicholson-Lord, D. 1987. The greenings of the cities. Routledge and Kegan Paul, London. 270 p.
Olmsted, F,L. (19870). Public parks and the enlargement of towns. Riverside press, Cambridge.
Oort, W. van 1992. Bewonersparticipatie moet beide partijen iets bieden. Tuin & Landschap 18, 22: 16-19.
Reneman, D.D., M. Visser, E. Edelman & B. Mors 1999. Natuur als leefomgeving: mensenwensen: de wensen van Nederlanders ten aanzien van natuur en groen in de leefomgeving. Reeks Operatie Boomhut 6. Intomart, Hilversum, pp. 159+ Bijlagen.
Rooijen, M. van 1986. Waardering en herwaardering van het stedelijk groen. Groen 42, 4: 15-16.
Rooijen, M. van 1990. De wortels van het stedelijk groen: een studie naar het ontstaan en voortbestaan van de Nederlandse groene stad. Rijksuniversiteit Utrecht, vakgroep Stads- en Arbeidsstudies, Utrecht. 295 p.
Roy, L.G. le 1973. Natuur uitschakelen natuur inschakelen. Ankh-Hermes, Deventer. 205 p.
Russel, B. 1952. Een nieuwe hoop voor een oude wereld. De Bezige Bij, Amsterdam. 203 p.
Sheets, V. L. & C.N. Manzer 1991. Affect, cognition and urban vegetation: some effects of adding trees along city streets. Environment and Behavior 23, 3: 285-304.
Smardon, R.C. 1988. Perception and aesthetics of the urban environment: review of the role of vegetation. Landscape and Urban Planning 15, 1/2: 85-106.
Sorte, G. 1992. Perceptie van de openbare groene ruimten. Groenkontakt 18, 2: 29-36.
Sorte, G. 1995. De waarde van groen en natuur voor de stadsbewoner. Groenkontakt 21, 4: 8 38-43.
Steltman, P.J. 1986. "Je mag er alleen maar naar kijken, aankomen niet". Hoe ervaart de burger het groen? Groen 42, 4: 17-18.
Stokols, D. & I. Altman (Eds.) (1987). Handbook of environmental psychology. Wiley, New York, pp. 1645.
Tjallingii, S.P. 1995. Ecopolis, strategies for ecologically sound urban development. Backhuys, Leiden. 159 p.
Ulrich, R.S. 1996. Uitzicht op natuur vermindert stress. Arbeidsomstandigheden 72, 2: 69-71.
Ulrich, R.S. 1984. View through a window may influence recovery from surgery. Science 224: 420-421.
Ulrich, R.S., O. Lund & J. Eltinge 1993. Effects of exposure to nature pictures on heart surgery patients. Psychophysiology 30: 57.
Vandromme, D. 1992a. De funkties en de beleving van de stedelijke groenruimte: groen versus stadsherwaardering (1). Groenkontakt 18, 4: 37-44.
Vandromme, D. 1992b. De funkties en de beleving van de stedelijke groenruimte: groen versus stadsherwaardering (2). Groenkontakt 18, 5: 35-42.
Vandromme, D. 1992c. Groen- en rekreatievoorzieningen versus vrije tijd. Groenkontakt 18, 2: 23-28.
Velde, J. te 1995. Meedoen in het groen. Schuyt, Haarlem. 176 p.
Vet, W., J. Spijker & J. de Vries 1997. Bewonersparticipatie bij kruidenbestrijding op openbare verhardingen. Intern rapport. Instituut voor Bos- en Natuuronderzoek, Wageningen. 24 p.+ bijlagen.
Volker, C.M., V. Bezemer, R. Kranendonk & R. Verbij (2000). Natuur als leefomgeving: mensenwensen en de inrichting van natuurbeleid. Reeks Operatie Boomhut 12. Alterra, Wageningen, pp. 53.
Waelput, D. 1988. Stedebouwkundige aspekten van het groen in de stad Gent. Groenkontakt 14, 2: 78-85.
Zoest, J.G.A. van 1994. Landschapskwaliteit: uitwerking van de kwaliteitskriteria in de Nota Landschap. Onderzoekrapport 349. Staring Centrum, Wageningen: 334 p.
Zoest, J. van 1998b. Van geveltuin tot struinnatuur. Stad en Groen 3. Dienst Ruimtelijke Ordening, Amsterdam. 17 p.
Zoest, J. van 1998c. Natuur in de complete stad. In: G. van der Plas, Nieuwe openingen. Dienst Ruimtelijke Ordening, Amsterdam; 19-29.
  Terug