Voorkeur voor natuur: wie bepaald wat natuur is?
Er is veel onderzoek verricht naar voorkeuren voor natuur, inclusief parken. (onder meer Grahn, 2005; Kaplan, 1989-1998; Ulrich, 1986; Kearney, 2006). Dat landschappen bij voorkeur min of meer open moeten zijn wordt het toegelicht door Appleton (1975), Kaplan (1987) en Kaplan et al. (1998).
Mensen hebben graag overzicht, omdat dat een zekere controle over het landschap geeft. Je kunt zien wat er gebeurt en je ziet de structuur. Uit de praktijk blijkt dat dichte bossen of struwelen met nauwe paden beklemmend kunnen werken, vooral als personen alleen zijn. Uit de praktijk van het stedelijk groen is gebleken dat onoverzichtelijke situaties, bijvoorbeeld nauwe paden die aan weerszijden dicht zijn beplant, vooral door vrouwen als onaangenaam of als onveilig worden ervaren. Een concrete aanleiding voor dit gevoel ontbreekt meestal. Omdat zowel vrouwen als mannen zich ontspannen moeten kunnen voelen, is het noodzakelijk dat we daar bij ontwerp en beheer van de groene buitenruimte rekening mee houden.
Openheid en overzicht bevorderen het gevoel van veiligheid. Ulrich (1986, p. 32) noemt, mede gebaseerd op onderzoek van andere auteurs, zes kwaliteitskenmerken die de voorkeur voor een landschapstype bepalen. Dit zijn: voldoende complexiteit, structuur (samenhang), voldoende openheid (perspectief/diepte), een min of meer vlakke bodem (voor toegankelijkheid), gebogen zichtlijnen (vooral door Kaplan et al. 1998 sterk uitgewerkt) en de aanwezigheid van water. Niet voor niets zijn plekken bij het water toplocaties voor woningbouw. Ulrich (1993, 1999) voert evolutionaire motieven aan die ten grondslag liggen aan voorkeurskenmerken van landschappen. In één zin samengevat is dat: “Openheid, overzichtelijkheid, leesbaarheid en water hangen nauw samen met overleven en veiligheid”. Het laatste aspect wordt vooral door Appleton (1975) goed verwoord: “Alles overzien zonder zelf gezien te worden”.
 
Tekst foto: Dit is een fantastisch bijenlint van voornamelijk koninginnekruid. De vraag is of de buurtbewoners, bewust of onbewust, er ook zo naar kijken. Het bijenlint sluit het zicht op de vijver af. Anders gezegd: de vijver is visueel niet toegangelijk.
 
Tekst foto Door open plekken in de oevervegetatie en door de afwisseling van planten ontstaat hier een totaal ander beeld dan op de foto boven.
 
Ook in tuinen verkiest het gross van de mensen een duidelijk stuctuur.
 
Als je op een verhoging staat en alles kan overzien; geeft dat bij veel mensen een andere gevoel dan een plek tussen de bosjes.
 
Een gesloten pad - een doorgang waar vooral veel vrouwen zich niet prettig bij voelen. Er is geen overzicht. (Westerpark Zoetermeer ca. 1995.
 
Een open pad -- Dit voormalige fabrieksterrein had in de jaren negentig en daarvoor een zwaar verontreinigde bodem. Er mocht niet worden gebouwd. Geleidelijk ontstond er bos dat door omwonenden als park werd gebruikt. Het ruime pad in het midden geeft een gevoel van veiligheid, maar of het veilig of onveilig is zal in de praktijk weinig uitmaken. (Utrecht1992)
 
Literatuur voorkeur/diversiteit voor natuur/groen
Grahn, P. & A.M., Berggren-Bärring (1995). Experiencing parks. Man's basic underlying concepts of qualities and activities and their impact on park design. Ecological Aspects of Green Areas in Urban Environments. IFPRA World Congress, Antwerp, Flanders, Belgium : 3-8 September 1995, pp. 97-101.
Grahn, P., Stigsdotter, U. & A.M., Berggren-Bärring (2005). A planning tool for designing sustainable and healthy cities. The importance of experienced characteristics in urban green open spaces for people's health and well-being. In Conference proceedings “Quality and Significance of Green Urban Areas”, April 14-15, 2005 , Van Hall Larenstein University of Professional Education, Velp, The Netherlands, pp. 29-38.
Kaplan, R., S. Kaplan & L. Ryan (1998). With people in mind: design and management of everyday nature. Island Press, Washington. 225 p.
Kaplan, S. (1987). Aesthetics, affect, and cognition: environmental preference from an evolutionary perspective. Environment and Behavior 19 (1): 3-32.
Kearney, A.R. (2006). Residential Development Patterns and Neighborhood Satisfaction. Environment and Behavior 38 (1): 112-139.
Rydberg, D. & J.Falck (1998). Designing the urban forest of tomorrow: Pre-commercial thinning adapted for use in urban areas in Sweden. Arboricultural Journal 22: 147-171.
Stigsdotter, U A. (2005). Landscape architecture and health. Thesis (PhD). Dept. of Landscape Planning, Alnarp, SLU. Acta Universitatis agriculturae Sueciae 55, pp.  37.
Talbot, J.F., Bardwell, L.V. & R. Kaplan (1987). The functions of urban nature: uses and values of different types of urban nature settings. Journal of Architectural and Planning Research 4 (1): 47-63.