Kinderen en spelen
Avontuurlijk spelen is een enorm belangrijk leerproces. Het gaat hier om lichamelijke vaardigheden en het inschatten van risico's. Als je dat op jonge leeftijd niet leert, zou dat later wel eens tot problemen kunnen leiden. Avontuurlijk spelen zou op veel meer plekken mogelijk moeten zijn. Niet alleen op speciale afgerasterde plekken waar allerlei veiligheidsvoorschriften het avontuurlijke aspect inperken. Ook in veel openbare parken en plantsoenen moeten mogelijkheden voor avontuurlijk spelen geboden worden (Natuurspeeltuin Rotterdam 2003) www.springzaad.nl
 
Tikkertje en andere spelletjes van de straat en het schoolplein kunnen ook perfect in een groene omgeving plaatsvinden. Deze tuin is door een groene stenige wal afgeschermd van de weg, en is door de bewoners in samenwerking met de gemeente gemaakt. Natuur en spelen gaan hier goed samen. (Nijmegen, Bottendaal 1996)
 
Een vergaderplek voor kinderen -- Min of meer verscholen, maar wel met overzicht over het hele gebied is dit een uitstekende plek om bijeen te komen. (Nijmegen Bottendaal 1996)
 
Geheime hutten bouwen op een spannende plek vlak bij huis. Dat moet eigenlijk steeds kunnen. (Maastricht geluidswal 1995), maar niet alleen jongens maken graag hutten....
 
Meisjes doen dat ook (Veenendaal ca. 1992)
 
Klimmen op een kunstwerk -- Motoriek, het inschatten van risico's en rollenspel komen op dit kunstwerk samen. Het meisje, dat er bij staat te kijken, plukte eerst bloemen en is nu diep onder de indruk van wat die grote jongens kunnen. Ook op het sociale gebied gebeurt hier het een en ander. (Arnhem 1991)
 
 
 
Pad door een bos -- Een uitdagende plek. Er is een pad dat leidt naar een nieuw gebied, het maakt nieuwsgierig en het daagt uit. De ouders van deze kinderen zijn op afstand aanwezig. Op zulke plekken loopt iedereen sociale risico's. Kinderen meer dan volwassen en vrouwen meer dan mannen. Dit mag geen reden zijn om zulke plekken uit te bannen. Integendeel. We moeten echter wel subtiele maatregelen treffen die sociale risico's tot het uiterste verkleinen. (Amsterdam-Noord 1995)
 
Spelen in het zand -- Zand heeft op kinderen dezelfde aantrekkingskracht als een aardbeienvlaai in de nazomer op wespen. Stort ergens zand en er zijn kinderen. De rozenperken die met zand zijn opgehoogd (verschraling) laten zien hoe zand wereldwijd werkt. De voorlopers van speeltuinen/kleuterscholen in Amerika waren niet meer dan simpele hopen zand (Herrington, 2001). Het geheim is: zand is steeds te veranderen en volgt altijd de fantasie. (Veenendaal 2004)
 
Emotionele ontwikkeling
Vrijwel alle kinderen spelen graag buiten. Als er water of zand in de buurt is, zijn er vrijwel altijd direct kinderen bij te vinden. Op grasland wordt gespeeld, in bosjes worden hutten gebouwd, in bomen wordt geklommen, bloemen worden geplukt en beestjes gevangen. Kinderen struinen graag door bosjes en ruigten. Ondanks het feit dat de meeste kinderen thuis het mooiste speelgoed bezitten, blijft de groene buitenruimte trekken.
Hoe belangrijk is dit alles? Hierover is veel wetenschappelijk onderzoek verricht. (Zie ook: Karsten et al., 2001). Uit het onderzoek van Sebba (1991) blijkt dat een groot deel (46%) van de kinderen, die werden ondervraagd, een voorkeur heeft voor de buitenruimte en dat bijna alle (96%) ondervraagde volwassenen de buitenruimte de belangrijkste plek in hun jeugd vond. Volgens Sebba is dat toe te schrijven aan de unieke waarnemingen in de kindertijd waarbij met alle vijf zintuigen werd waargenomen. Dit lijkt een redelijke verklaring die strookt met ervaringen in de praktijk.
In Veenendaal wordt door het IVN (Vereniging voor natuur- en milieueducatie) al minstens 20 jaar natuureducatie aan jonge kinderen gegeven. Dit gebeurt niet alleen binnen de onderwijsuren, maar ook op de zaterdagochtenden. De activiteiten vinden plaats in de IVN-tuin met een beestjespad, vijver, voelpad en zintuigbakken (voelen, ruiken, proeven, kijken) en verder in de openbare ruimte in vijvers, sloten, plantsoenen en het bos. Bijna zonder uitzondering zijn alle kinderen steeds zeer enthousiast en verwonderd tegelijk. In de meeste gevallen ligt het accent bij natuureducatie op natuurbeleven en exploratie. Dat gaat meestal samen met cognitieve vorming, het leren maken van sociale contacten en het trainen van het waarnemingsvermogen.
Voor een aantal onderzoekers lijkt het voor de hand te liggen dat contact met de natuur bijdraagt aan de emotionele en cognitieve ontwikkeling van kinderen. Zie ook Kellert, 2002; Fjortoft & Sageie 2000; Liz, J. & R. Steinhagen, 2000; Verboom et al., 2006; White, 2007.
 
Natuureducatie
Het is niet meer vanzelfsprekend dat kinderen in contact komen met de natuur. Als kinderen en uiteraard ook volwassenen van de natuur vervreemden, kan dat op den duur nadelige gevolgen hebben voor natuur en milieu en uiteindelijk voor ons zelf. Door menselijk handelen verdwijnen planten en diersoorten en worden ecologische relaties verstoord. Natuur- en milieueducatie zijn er op gericht mensen door middel van confrontatie met de natuur bewust te maken van de ecologische relaties. Meestal gebeurt dit op een ontspannende wijze, waarbij vooral bij kinderen natuurbeleven voorop staat. (zie bij: Emotionele en cognitieve ontwikkeling ). Bij natuureducatie snijdt het mes dus aan twee kanten: educatie en beleven. Een natuurlijke omgeving in het bewoonde gebied of rondom de school kan daar aan bijdragen.
Door het belevingsaspect kan natuureducatie een positieve invloed hebben op het leerproces en de persoonlijke vorming (zie bij: Sociaal-emotionele ontwikkeling, cognitieve ontwikkeling). Natuureducatie is ook beleven en wordt door de foto's geïllustreerd. Er zijn duidelijke aanwijzingen dat natuureducatie de houding ten aanzien van natuur en milieu sterk beïnvloedt. Kinderen die geregeld in contact komen met de natuur zullen ook later meer geneigd zijn natuurlijke plekken te bezoeken en te profiteren van de voordelen van de natuur. (Bingley & Milligan, 2004; Ward Thompson et al, 2004; Wells & Lekies, 2006)
 
Sociaal-emotionele ontwikkeling
De openbare ruimte, waaronder veel groene en natuurlijke plekken, kan in belangrijke mate bijdragen aan het maken van sociale contacten. Dat is vaak een uiterst gecompliceerd proces waarbij verschillende rollen gespeeld kunnen of moeten worden. Het gaat om samenwerken, leidinggeven, zich terughoudend opstellen, gedachten uitwisselen, emoties uiten, naar elkaar luisteren, elkaar corrigeren of meer voor elkaar gaan voelen. (Burdette & Whitaker, 2005; Moore, 1986, 1996; Bixler, 2002; Talor, 1998) Dit zijn allemaal componenten van het spelen. Bij de hoofdstukken “Betekenis van bomen” en “Sociale contacten” zijn daar ook al voorbeelden van gegeven. Er zijn aanwijzingen dat een natuurlijke omgeving bijdraagt aan het verminderen van vandalisme, bepaalde vormen van criminaliteit en pesterijen. (Kuo, 2001; Malone & Tranter 2003; Worepole, 2003)
 
Motorische ontwikkeling en inschatten van risico's
De basale motorische ontwikkeling van met name armen, benen, wendbaarheid, etc. wordt vooral in de jonge levensjaren gevormd. Banjeren door de natuur, het klimmen in bomen, het bouwen van hutten, verstoppertje spelen en boompje verwisselen zijn zeer bevorderlijk voor de motoriek. (Zie ook Karsten, 2001). In een structuurrijke omgeving kunnen alle motorische handelingen steeds worden geoefend. Er zijn aanwijzingen dat spelen in een natuurlijke omgeving gepaard gaat met het ontwikkelen van een betere motoriek (Grahn et al. 1997; Fjortoft & Sageie, 2000, 2001; Fjortoft, 2004) Voor de effecten van bewegen op de fysieke gezondheid wordt verwezen naar de pagina Bewegen en gezondheid.
Bij een goede motorische ontwikkeling hoort ook het leren inschatten van risico's. Voorbeelden hiervan zijn, dat je bij het klimmen in een boom kunt vallen of een tak kan breken, bij het springen over een plas of een sloot kun je nat worden en een hut kan instorten. Het gaat ook om de juiste coördinatie tijdens allerlei handelingen, zoals het inschatten van tijd en het kunnen ontwijken van iets. Dat alles kan uiteraard ook gebeuren in een gymzaal of in de speeltuin, maar een structuurrijke en veranderende omgeving biedt meer variatie wat kan leiden tot een betere motorische ontwikkeling. (Cooper Marcus, 2001; Wilkinson, 1986). Hierbij horen ook bepaalde risico's die tot op zekere hoogte moeten worden geaccepteerd. “The disjunction between private and public understanding is equally marked when judgments about risk and play need to be made. In the personal sphere many adults readily affirm the connection between risk and play: no risk, no play. But this is lost at the moment personal understanding enters the public realm” (Spiegel et al. 2005).
Citaat
“ All children both need and want to take risks in order to explore limits, venture into new experiences and develop their capacities, from a very young age and from their earliest play experiences. Children would never learn to walk, climb stairs or ride a bicycle unless they were strongly motivated to respond to challenges involving a risk of injury. Children with disabilities have an equal if not greater need for opportunities to take risks, since they may be denied the freedom of choice enjoyed by their non-disabled peers”.
 
Exploratie en cognitieve ontwikkeling
Spelen gaat samen met emotionele en cognitieve ontwikkeling. Op een kaal, betegeld plein is weinig te ontdekken, maar in wel complex samengestelde structuren. Op een lege schoenendoos zijn kinderen snel uitgekeken, terwijl de binnenkant van een ouderwets uurwerk zeer fascinerend kan zijn. Met de buitenruimte is het net zo. In complexe vegetatiestructuren is van alles te ontdekken en te beleven. Hoge begroeiingen kunnen donker en spannend zijn en de fantasie prikkelen.
Een meer natuurlijke omgeving kan de cognitieve ontwikkeling van kinderen gunstig beïnvloeden, onder meer op het gebied van concentratie en zelfdiscipline (Pyle, 2002; Tayer, 2002; Wells, 2000). Een onderzoek in Engeland waar 700 basisscholen aan deelnamen wijst uit dat het betrekken van schoolterreinen een gunstige invloed heeft op het leergedrag van kinderen Zie ook de andere publicaties op deze website; Burdette & Whitaker, 2005. Education Development Centre, 2001 Malone, K. & Tranter, 2003.
 
Speelruimte
Allerlei vormen van buitenspelen en natuurbeleven dragen bij aan de ontwikkeling van kinderen. Soms is een paar vierkante meter al voldoende. Kinderen kunnen zich vermaken in een rozenperk dat met zand is opgehoogd of plukken bloemen die langs het trottoir groeien. De drang tot exploratie gaat aanzienlijk verder. De foto's op deze pagina en de tientallen foto's, die op andere pagina's en hoofdstukken zijn opgenomen, laten daar voorbeelden van zien. Het gaat om allerlei activiteiten waarbij kinderen lichamelijk, emotioneel, cognitief en sociaal betrokken zijn. (Zie ook bij Betekenis bomen ). Dat zal ongetwijfeld van belang zijn voor hun sociaal en maatschappelijk functioneren in verschillende levensfasen, maar dat onderwerp valt buiten het bestek van deze publicatie.
Wereldwijd zijn er honderden, wellicht duizenden publicaties verschenen, die op zijn minst aannemelijk maken dat een gevarieerde groene buitenruimte van betekenis is voor een goede ontwikkeling van kinderen. In het stedelijk gebied is deze ruimte beperkt en krimpt steeds verder in. De resterende groene ruimte wordt meestal op een zodanige wijze ontworpen en beheerd dat mogelijkheden tot exploratie sterk worden beperkt (Bell et al., 2003; Cunningham, 2002; Worpole, 2003). Geldelijk gewin ligt hier vaak aan ten grondslag en dat is al enkele eeuwen het geval. (Van Rooijen, 1990 zie bij economie). Maar met de voortdurende vergroting van steden gaat dat vormen aannemen, die de dictatuur van de vierkante meterprijs voor bijna iedereen voelbaar en onacceptabel maakt.
Ruime exploratie mogelijkheden zijn noodzakelijk voor de ontwikkeling van kinderen. De vraag is of dit proces ondergeschikt moet worden gemaakt aan bepaalde vormen (uitwassen) van de economie.
 
Meer speelruimte een noodzaak
Er zijn sterke aanwijzingen dat meer en ruimere voorzieningen voor de exploratiemogelijkheden van kinderen een bittere noodzaak is. (Ward Thomson, Travlou & Roe, 2006) De belangrijkste conclusie uit dit rapport luidt: "Our findings support the notion that free and easy access for adventurous and enjoyable engagement with outdoor environments has the potential to confer a multitude of benefits on young people's development and therefore to benefit society as a whole. There is therefore a need to recognize and promote the concept that all young people should have access to wild adventure space. The costs of not doing so, to individuals and to society, are potentially enormous. The Adventure Licensing Authority suggest that , by constraining young people's access to structure adventure, we have already condemned an entire generation to a life of awful quality and shocking brevity (Bailie, 2005)" Ward Thompson, C., P. Travlou & J. Roe (2006). Free-Range teenagers: the role of wild adventure space in young people's lives. Final report [online]. Edinburgh College of Art and Heriot-Watt University, pp. 53p.