Grasland en struikhei voor bijen langs het spoor -----------

Grazige vegetaties moeten gewoonlijk ten minste eenmaal per jaar worden gemaaid. Op voedselarme bodems kan dat soms met een lagere frequentie. De vegetatie kan dan wel vergrassen en houtige soorten kunnen opslaan. Tot ca. 1985 werden een groot gedeelte van de grasland en heide vegetaties door branden in standgehouden. Bij spoorwegovergangen werden de meeste vegetaties nog met klein materieel gemaaid over een lengte van ruim 300 m moest er vrijuitzicht zijn. Later werd er zeer rigoureus geklepeld. Dit ging zo rigoureus dat dit ca. 1988 leidde tot een breed maatschappelijk protest. Organisatie als KNNV, Natuurhistorisch genootschap en zelfs de ANWB drongen bij de NS aan op een ander beleid. Dit leidde tot extra inspanningen om bijzondere vegetaties in stand te houden. Hieraan werd ook bijgedragen door verschillende andere beherende instanties. Branden was zeer slecht voor de fauna en niet vaak niet best voor de flora, maar achteraf gezien misschien het enige alternatief om grazige vegetaties op grote schaal in stand te houden.

 
Wolverlei groeit alleen op voedselarme bodem in grazige vegetaties. De soort kwam vóór 1980 vrij veel voor in spoorbermen Tussen 1985-1990 kwam valkruid meer langs spoorwegen voor dan in andere milieus. Veel van deze vegetaties zijn door werkzaamheden langs het spoor vernietigd. (Tynaarlo, spoorberm 1987)
 
Biggenkruid zou hier minstens een maal per jaar moeten worden gemaaid, waarbij het maaisel wordt afgeruimd. Voor groot materieel is het terrein hermetisch afgesloten. Het maaien kan hier alleen met een eenassige maaibalk, maar het afruimen van het maaisel moet handmatig gebeuren. (Veenendaal 1989)
 
Echt bitterkruid is dominant geworden. De vegetatie is waarschijnlijk door storing ontstaan. Door in zo situatie een maal per jaar te maaien en het maaisel af te voeren zal echt bitterkruid verminderen, maar de diversiteit in de vegetatie wel toe nemen. Het afvoeren van maaisel is in verband met de toegankelijkheid een probleem. (Kesteren 1993)
 
Struikhei - Het talud met struikhei van deze spoorweginsnijding brand geregeld af. Iedere keer als dit gebeurd komt struikhei op nieuw tot dominantie. In ieder geval tot ca. 1995 was dat op de meeste plaatsen waar struikhei voorkwam het geval. (Ede, de Sijsselt 1994)
 
Margriet - Vooral in de jaren tachtig kwam margriet vaak taltijk langs het spoor voor. Zonder maaibeheer verdwijnt deze plant. (Den Bosch 1983)
 
(Kalk)graslandbeheer
De vegetatie op dit steile talud werd vóór 1990 volledig gedomineerd door gevinde kortsteel, een grassoort die vrij lastig is terug te dringen. Tegen de regels in is het talud drie jaar achtereen jaarlijks in september gemaaid. Sinds 1993 is de gevinde kortsteel sterk teruggedrongen en zijn tientallen andere soorten bezig met hun come back, waaronder de grote centaurie, die hier al talrijk voorkwam. (NS Ransdaal, 1993).
 
Sint janskruid komt vaak voor langs spoorwegen en op spoorwegemplacementen. Meestal in het gemaaide deel of aan de bovenkant van spoorwegtaluds. (Elst 1989)
 
Tot ca. 1986 werd dit talud gedomineerd door wilde marjolein, door herprofilering is deze vegetatie sterk verstoord. De toplaag is weliswaar afgegraven en teruggezet, maar daarna dicht ingezaaid met Engels raaigras terwijl er geen herstel beheer is gevoerd. Een van de vele tientallen voorbeelden van het verdwijnen van bijzondere vegetaties. Na 1993 zijn er enkele planten van deze soort gevonden (Culemborg 1995)