Beheer spoorwegterreinen - --

Het is aangetoond dat op spoorwegterreinen en grote diversiteit aan wilde bijen voorkomt. Zonder gericht beheer loopt dit sterk terug. Het principe van vegetatiebeheer op spoorwegterreinen is exact gelijk aan de richtlijnen die daarvoor in deze website zijn opgegeven. De gedeelten tussen de rails en de omgeving daarvan worden chemisch beheerd. Dat was tot voor 1980-1985 op de meeste plaatsen intensief en op spoorwegemplacementen vaak integraal.


Vanaf ca. 1985 is dat enorm verbeterd en gewoonlijk zeer precies afgestemd op het voorkomen van kruiden. Doordat de meeste plekken ontoegankelijk zijn voor het gebruikelijke beheermaterieel, is het overige vegetatiebeheer vaak zeer moeilijk of tegen redelijke beheerkosten onmogelijk. Maar zonder beheer ontstaat er vrijwel overal bos en struweelachtige begroeiingen. Tot voor ca. 1985 werd dat grotendeels tegengegaan door branden. Dat werd daarna door de NS-directie verboden.
Tegenwoordig worden houtige begroeiingen in de omgeving van de rails geregeld afgezet. De overige vegetatie verruigt en verbraamt grotendeels. Beheeropties voor spoorwegterreinen

Inventarisatie bijen - Br. Vergilius Lefeber inventariseert solitaire bijen langs het spoor van Zuid-Limburg (1984)

Langs de spoorwegen komen veel wilde bijen voor. Broeder Vergilius Lefeber verrichten in de jaren tachtig en begin jaren negentig een inventarisatie van wilde bijen op spoorwegterreinen van Zuid-Limburg, anderen volgden dat in andere delen van het land. Vermoedelijk komt meer dan 50 % van de Nederlandse soorten bijen op spoorwegterreinen voor. Ook voor honingbijen zijn spoorwegterreinen van groot belang.

Om de grote diversiteit van bijen op spoorwegterreinen in stand te houden is een goed vegetatie beheer noodzakelijk.

Veel soorten bijen zijn afhankelijk van bepaalde soorten planten. Bij voorbeeld de slobkousbij van grote wederik. Als deze plant zou verdwijnen, verdwijnt ook de bij. Dit geldt ook als vegetaties te vroeg worden gemaaid. De bloei wordt dan meestal vertraagd waardoor de synchronisatie tussen bij en plant wordt verbroken.

In verband met de toegankelijkheid van het spoor is vegetatie beheer met groot materieel meestal niet mogelijk zonder aanzienlijke extra kosten. Vaak is vegetatiebeheer alleen mogelijk met een bosmaaier- of eenassige maaibalk.

Waar de vegetatie vanaf de buitenberm, een parallelweg of op een andere wijze voor groot materieel toegankelijk is, zou een strategisch beheerplan uitgevoerd moeten worden. Mits er gefaseerd wordt gemaaid, zouden ook modern maai-zuigcombinaties kunnen worden ingezet. In zeer kwetsbare milieus moet de bosmaaier of eenassige messenbalk worden gebruikt.
Chemisch beheer - Vóór 1970 werden spoorwegterreinen nog rigoureus met herbiciden bespoten. Dit ging vanuit en speciale sproeitrein die volgens een vaste dienstregeling reed. Tot meters in de bermen was het effect duidelijk merkbaar, soms tot in de aangrenzende volkstuinen toe. Na 1990 is dat drastisch verbeterd. En worden herbiciden (zeer) selectief toegepast. In ieder geval in vergelijking met 1970.
Chemisch beheer gestopt - Ook de meeste spoorwegemplacementen werden tot in de jaren tachtig zeer rigoureus gespoten met herbiciden. Vanaf ca. 1970 begon dat al te verbeteren en werden steeds meer overhoeken ontzien. Vooral deze plekken werden zeer interessant voor insecten waaronder bijen. Op emplacementen of gedeelten daarvan die niet werden gebruikt, werden geen herbiciden meer toegepast. (Kerkrade-West 1984)
Bosvorming - Langs het spoorlijngedeelte vanaf De Haar tot aan Leusden heeft decennia lang geen groenbeheer plaatsgevonden hetgeen geleid heeft tot een bosvegetatie. (Voormalige spoorlijn Amersfoort-Betuwe, De Groep-Scherpenzeel 1997)
Bosvorming op emplacement - Ruim tien jaar voordat deze foto werd gemaakt was de grond van dit spoorwegemplacement hier nog grotendeels kaal. Het gaat hier om een strook van langer dan 100 m. Zonder beheer veranderen spoorwegterreinen in bos (Kerkrade-West 1996).
Toegankelijkheid - Een typisch voorbeeld van een spoorwegtalud dat ontoegankelijk is voor groot materieel. De smalle buitenberm is volledig dichtgegroeid met bomen en struiken. Verder zijn er aan weerskanten van de spoordijk brede sloten aangelegd. Beheer tegen normale kostprijs is hier vrijwel onmogelijk. Alleen het bovenste gedeelte wordt gemaaid. Het maaisel wordt niet afgeruimt. Dit leidt tot verruiging. (Brummen-Zutphen ca. 1990)
Branden van vegetaties -- Enkele decennia geleden werden vegetaties nog veel afgebrand. Vooral werd dit gedaan langs de spoorwegen, die in grote delen van het land systematisch werden afgebrand. Als de baanbeheerders het niet deden dan deden anderen het wel. In sommige gevallen was dat voor de flora erg gunstig, maar voor de fauna was en is branden zeer ongunstig. (Omgeving Veenendaal 1995)
Handmatig beheer -- Dit hoge talud van de spoorweginsnijding bij Eys is ontoegankelijk voor groot materieel. Omdat het een kalkgrasland is met zeldzame plantensoorten wordt het wel gemaaid. Op de steilste gedeelte kan het maaien alleen met de bosmaaier worden uitgevoerd; op minder steile plekken ook met de eenassige messenbalk. Ook het maaisel moet handmatig worden geruimd. (Eys 1989)
----
Beheer opties spoorwegterreinen
Vegetatiebeheer langs het spoor wordt erstig bemoeilijkt door de ontoegankelijkheid voor groot beheermaterieel. In verband met de grote acuele of potentiele betekenis voor de bijen en zeker ook voor vlinders en andere kleine dieren is het een noodzaak om de vegetatie zo goed mogelijk te beheren. Integraal maaibeheer is vrijwel onmogelijk, maar ook onwenselijk. Op veel plekken is de vegetatie of potentiele vegetatie zo bijzonder dat er aan een afgestemd beheer niet te ontkomen is. Daarnaast zijner veel plekken waar faunavriendelijk beheer zeer wenselijk is. Op deze pagina worden aan de hand van de getoonde foto's enkele voorbeelden en suggesties voor het beheer gegeven.
Voorbeelden van bijzondere vegetaties
Vanaf ca. 1984 tot ca. 1995(?) werden vegetaties met wolverlei zorgvuldig beheerd. De vegetie werd jaarlijks gemaaid en het maaisel wer geruimd. Als het maaisel niet goed kon worden afgevoerd, werd het op hopen gezet op plekken waardat niet nadelig was voor de vegetatie.
Valkruid groeit alleen op voedselarme bodem met of zonder hei, maar wel in grazige vegetaties. De soort kwam vóór 1980 vrij veel voor in spoorbermen Tussen 1985-1990 was valkruid meer een spoorwegplant dan een soort van de hei. Veel van deze vegetaties zijn door werkzaamheden langs het spoor vernietigd. (Tynaarlo, spoorberm 1987)
Suggestie voor beheer
Plaatsen die niet toegankelijk zijn voor groot materieel, maar wel met een eenassige messenbalk of bosmaaier, kunnen worden gemaaid, het maaisel moet wel worden geruimd, maar kan op verschillende plaatsen op hopen worden gezet. Bij voorkeur onder houtige begroeiing. Het gaat hier weliswaar om kleine oppervlakten, maar juist voor bijen, vlinders en andere insecten kan dat van zeer grote betekenis zijn.
Om biggenkruid hier in stand te houden zou er minstens een maal per jaar worden gemaaid waarbij het maaisel wordt afgeruimd. Voor groot materieel is het terrein hermetisch afgesloten. Het maaien kan hier alleen met een eenassige maaibalk, maar het afruimen van het maaisel moet handmatig gebeuren. (Veenendaal 1989)
Spoordijk Culemborg: Dit talud is toegankelijk voor groot materieel. De hoogste plaatsen moeten mogelijk met de bosmaaier worden gemaaid. Indien gefaseerd wordt gemaaid (ieder jaar 33%) zou een maai-zuigcombinatie kunnen worden gebruikt. Voor de zaadverspreiding zou pleksgewijs enkele meters ongemaaid moeten blijven.
Tot ca. 1986 werd dit talud gedomineerd door wilde marjolein, door herprofilering is deze vegetatie sterk verstoord. De toplaag is weliswaar afgegraven en teruggezet, maar daarna dicht ingezaaid met Engels raaigras terwijl er geen herstel beheer is gevoerd. Een van de vele tientallen voorbeelden van het verdwijnen van bijzondere vegetaties. Na 1993 zijn er enkele planten van deze soort gevonden (Culemborg 1995)
Kesteren-Echteld -- Voor zulk typen situaties zou een zuig-maaicombinatie per trein moeten worden ingezet. De volledige vegetatie hoeft niet te worden gemaaid, alleen op plaaten die actueel of potentieel voor flora en fauna van belang zijn. Het aantal plekken kan worden afgestemd op de opslagcapaciteit van de maai-zuigcombinatie. Vooral langs lijnen waar bovenspanningsleidingen ontbreken, zou zo'n systeem kunnen worden ingezet.
Een rand waarin echt bitterkruid dominant is geworden. De vegetatie is waarschijnlijk door verkeerd beheer ontstaan. Door in zo situatie een maal per jaar te maaien en het maaisel af te voeren zal echt bitterkruid verminderen, maar de diversiteit in de vegetatie wel toe nemen. Het afvoeren van maaisel is in verband met de toegankelijkheid een probleem. (Kesteren 1993)

Grauwe wilg met grote wederik: Op deze plek gaat het om het instandhouden van kleinschalige natte ruigte. Hiervoor moet houtige opslag worden afgezet en om verruiging te voorkomen moet het hout worden afgevoerd. Dit is vanaf de parallelweg mogelijk. Het hout kan versnipperd worden afgevoerd. In bredere bermen kan het ook op afstand blijven liggen. Het hout wordt dan met de hand weggesleept.

Tussen de struwelen - hier wilgenbroek struweel - komt vaak ruigte voor. Op de foto onder meer met grote wederik (geel). Deze soort wordt alleen door de slobkousbij bezocht. (Buitenpost 1988)
Andere nectar en stuifmeelplanten die hier vaak voorkomen zijn:

Houtige drachtplanten: sporkehout, grauwe wilg, geoorde wilg; gagel, kruipwilg, laurierwilg, zwarte els, wilde lijsterbes, Gelderse roos, boswilg.
Kruidachtige soorten: bitterzoet, echte valeriaan, gele lis, gewone engelwortel, grote kattenstaart, kale jonker, moerasrolklaver, moerasspirea, tormentil, wateraardbei, watermunt .

Overige voorbeelden die vanaf de parallelweg te beheren zijn met gangbaar materieel
Bonte wikke komt vooral voor op nieuw aangelegde spoorwegtaluds en wordt vaak talrijk door bijen bezocht. Vanaf de parallelweg kan de vegetatie gemakkelijk worden beheerd. (Linne 1995)
Grote hardvrucht is een zeldzame tot zeer zeldzame soort in Nederland. De vegetatie waarin deze soort voorkomt moet in verband met de ontwikkeling van nieuwe planten jaarlijks worden gemaaid.
Deze spoordijk bij Arnhem-Zuid was een van de meest bloemrijke spoorwegelementen van het land die werd gekenmerkt door zeldzame en zeer zeldzame soorten planten. Daar is nog wenig van over. Door beheer is een groot deel van deze bloemenpracht weer te herstellen. Vanaf de parallelweg is dat te realiseren. (Arnhem-Zuid 1995). In het landelijke gedeelte staat thans een nieuwe woonwijk.