Stinzen of borgen
Stinzen of borgen vormen van oudsher behuizing van adelijke geslachten. De meeste van deze huizen zijn ontstaan uit eenvoudige rechthoekige steenhuizen die soms binnen een omgrachting lagen. Vaak liggen deze huizen op een verhoging in het landschap. In tijden van gewapende conflicten diende deze huizen als schuil- en verdedigingsplaats voor de bewoners uit de omliggende boerderijen. Vanaf 1400 verliezen deze huizen hun militaire functie. Ze ontwikkelen zich geleidelijk tot borg of stins waarin de adelstand leefde. In de loop der eeuwen zijn deze huizen tot kasteelachtige verblijven uitgebouwd en omgeven door omvangrijke parkachtige tuinen. In deze lommerrijke parken werden sierplanten uitgeplant die afkomstig waren uit Midden en Zuid-Europa. Veel van deze soorten verwilderde en hebben zicht tot de dag van vandaag kunnen handhaven.
Het zijn parkachtige, lommerrijke veelal grote tuinen met vooral een rijke voorjaarflora die karakteristiek is voor deze terreinen. Naast inheemse bomen en struiken komen ook   uitheemse en exotische soorten voor: linde, esdoorn, moerbei, paardenkastanje, boerenjasmijn.
Gewoonlijk is de bodem  (zeer) voedsel- en humusrijk en tamelijk vochtig. Vaak is er een gracht of een vijver aanwezig. Vaak ook hoogte verschillen. Ze bevatten vaak oude holle bomen die geschikt zijn voor vogels en vleermuizen.  
In het voorjaar is de bodem vaak bedekt met een tapijt van bloeiende planten. In de eerste plaats gaat het hier om de zogenaamde stinzenplanten die karakteristiek zijn voor deze tuinen. Door afwisseling in beschaduwde en zonnige plaatsen is er een gevarieerde begroeiing mogelijk.
In het voorjaar zijn nectar en stuifmeelplanten volop aanwezig, na mei loopt dit snel terug. Als er voldoende lindes aanwezig zijn is er ook in juni voor de bijen nectar te halen. Stinzen hebben echter een relatief kleine oppervlakte bloeiende planten. De meeste stinzen liggen in de omgeving van dorpen of in relatief kleinschalige landschappen. Verbetering van de stuifmeel en nectarproductie zal vooral verkregen moeten worden door van het aanplanten van nectar- en stuifmeel planten in de omgeving. Singels, lanen, bosjes, tuinen, begraafplaatsen, bermen, greppels en sloten, boerenerven. Daarbij moet het groen in de omgeving ook ecologische worden beheerd. Tientallen soorten bijen inclusief honingbijen zullen hiervan profiteren.
Stinzen hebben een zeer wisselend beeld. Bij te weinig of geen beheer, ontstaat er na enige jaren een zeer ruige begroeiing waarin fluitenkruid, grote brandnetel, kleefkruid en zevenblad het beeld bepalen.
Voorbeelden zijn Kollum  voormalige notaris woning; Cornjum, Martenastate, IJsbrechtum Epemastate, Franeker Martenahuis, Rauwerd, Driesum, Rinsemastate, Oudkerk de Klinze, Menkema borg, Uithuizen.
   
Notaristuin in Kollum -- Het onderhoud van zo'n tuin is vaak moeilijk te bekostigen. Vooral de vijverbeschoeiing toont dat aan. (Kollum 1993).
Holwortel tuin Kollum -- In deze oude stinzentuin, die door de dorpsbewoners als park wordt gebruikt, komt holwortel dominant voor die hier door de gewone sachembij worden bezocht. (Kollum, notaristuin 1993)
Fragment van een stinzenbegroeiing die in hoofdzaak door holwortel wordt gevormd. (Kollum 1999)
De bostulp is een van planten die op stinzen kan worden aangetroffen, maar hij komt meestal in zulke kleine aantallen voor dat die voor bijen nauwelijks iets betekent, wordt hier misschien door gewone sachembij bezocht. Om deze soort in Nederland in stand te houden moet de bodem steeds worden verstoord (omgewoeld). (Ysbrechtum 1995)
Stinzen of borgen

Stinzen of borgen vormen van oudsher behuizing van adelijke geslachten. Dit huis, de Epema-State ziet er dan ook als een kasteel uit. Het is omgeven door een groot park dat in 1825 door L.P. Roodbaard is ontworpen. In het voorjaar wordt de vegetatie gedomineerd door boerenkrocus en speenkruid. Door de bomen is het voor bijen ook tot in mei-juni nog interessant. Daarna komen wilde bijen hier nog nauwelijks voor. Doordat deze stins tegen het dorp aanligt waarin veel tuinen en boeren erven voorkomen, zouden hommels en honingbijen in deze omgeving nog kunnen foerageren. Tuinbezitters zouden wel moeten worden gestimuleerd om meer planten toe te passen die in de zomer en nazomer bloeien. Dit geldt ook voor de andere stinzen en landgoederen die op deze pagina worden genoemd. (Ysbrechtem 1993)

Epema-State- Deze ligt tegen het kerkhof aan. Dat is hier een potentiële nestgelegenheid voor wilde bijen. (Ysbrechtum 1991)
Boerenkrokus groeit hier op zeer vochtige zware kleibodem. Deze soort is op veel plekken toe te passen. Voor hommels is dit een belangrijke voorjaars plant, maar die functioneert pas optimaal als er in de omgeving het hele vliegseizoen ook andere stuifmeel en nectarproducerende planten voorkomen. (IJsbrechtum, Epema-state 1991)
Holwortel stins Rauwerd - Stins Rauwerd is een van de beroemdste stinzen van het Noorden. Holwortel komt hier massaal voor. In de zomer maakt hier de stinzenflora plaats voor een ruige vegetatie waarin grote brandnetel en zevenblad domineren. (Rauwerd, Jongema-state 1993)
Stins Raet met historisch poortje geeft het publiek toegang tot deze tuin. In de zomer groeien hier voornamelijk zevenblad en grote brandnetel . (Raet 1993)
Amelisweerd - is in het voorjaar is op veel plaatsen wit van de sneeuwklokjes, dien vooral door honingbijen druk worden bezocht. Verschillende bomen en struiken zorgen voor een aanvullende dracht. Veel plekken zijn hier van grote potentiële betekenis voor wilde bijen. Op het gebied van wilde bijen verdienen deze parken meer aandacht.
In Amelisweerdis sneeuwklokje op veel plekken een dominante voorjaarsplant. In het openbaar groen wordt sneeuwklokje nauwelijks toegepast. Het is een plant die zichzelf decennia lang in stand kan houden, maar bij “nietsdoen” kan de soort op den duur verdwijnen, soms moeten de pollen worden verplant of gescheurd. (2004)