UNIVERSITAIRE STUDIE
De eerste 4 jaar studeerde ik parttime op woensdagmiddag en -avond en de hele zaterdag. Er waren verder studieweekenden en -weken. In 1979 nam ik ontslag bij het vormingswerk en ruilde mijn salaris in voor een studiebeurs en een renteloos voorschot.
Sinds het schoolbiologisch werkkamp van de IVN (Instituut voor natuureducatie en duurzaamheid) op Texel in 1975 had ik mijn aandacht intensief op de wilde bijen gericht. In onze eigen tuin kwamen ca. 30 soorten wilde bijen voor. Maar in andere tuinen en in het openbaar groen in Veenendaal werden door mij, ondanks herhaaldelijk speuren, geen wilde bijen waargenomen. Hetzelfde  was het geval in Sneek en Schiedam, steden waar ik zeer geregeld kwam. Ook in de Gelderse Vallei en het Wageningse Binnenveld kwamen geen wilde bijen voor. Al snel ontdekte ik dat, dat dit voor het hele land gold. Deze constatering was de verdere aanzet tot mijn bijenonderzoek.
Als onderwerp voor mijn doctoraal onderzoek Biologie koos ik  de maskerbijen. Dit is een overzichtelijke groep solitaire bijen, die mij ook niet al te veel moeilijkheden opleverde bij het determineren. Ik had het onderzoek heel goed voorbereid, maar toch leek het op een fiasco uit te lopen. Dit kwam niet alleen door de langdurige regenperiode van bijna 6 weken in de zomer van 1980, maar ook door het feit dat deze bijen bijna nergens waren te vinden. Alleen langs de grote rivieren kwamen ze  heel veel voor bij steenfabrieken.
Doordat ik vrijwel alle werkbare dagen met de trein reisde, kreeg ik ook oog voor de zeer rijke spoorwegflora. Vooral op de spoorwegemplacementen viel het voorkomen van  grote populaties wilde reseda erg op. Zonder vergunning en zonder toestemming waagde ik me voor onderzoek op de emplacementen, maar op het spoorwegemplacement in Utrecht werd ik al snel in mijn kraag gegrepen en afgevoerd naar het bureau van de spoorwegpolitie. Ik legde alles uit en maakte duidelijk dat de spoorwegterreinen de redding zouden kunnen zijn voor mijn bijenonderzoek. Ik dacht dat het niet goed ging aflopen, maar uiteindelijk werd mij  verteld, dat ik een vergunning zou krijgen. Binnen 24 uur had ik die in huis. Dit was en is een onvoorstelbare snelheid van werken in de ambtelijke wereld. Het veldwerk voor het onderzoek aan maskerbijen was gered.
Zeer verbaasd  was ik over de constatering dat het Nederlandse landschap buiten de natuurgebieden, spoorwegterreinen, steenfabrieken en zandafgravingen extreem arm was aan wilde bijen, zelfs vaak ook op bloemrijke plekken. Dit bleek voornamelijk toe te schrijven aan het gebrek aan nestgelegenheid voor de bijen en heel vaak ook aan te vroeg maaien van de vegetatie. Maar wat mij nog veel meer verbaasde was het feit dat vrijwel niemand daar iets over zei. Ik kreeg de indruk, dat een bij op een speld in een museumcollectie of in een privécollectie belangrijker was dan een bij in het veld. Mede door de begeleiding van Jan van Tol (Naturalis, Leiden) werd het onderzoek een succes. Het leidde uiteindelijk tot een officiële publicatie: Het genus Hylaeus in Nederland. (Koster, 1986)
Door dit onderzoek, kwam ik ook in contact met professor Zonderwijk, hoogleraar onkruidkunde in Wageningen. We zaten al heel snel op een lijn. Ik wilde een onderzoek doen naar de spoorwegvegetatie, vooral in relatie tot het beheer van de vegetatie op spoorwegterreinen.
Maar dat ging niet zo maar. Voor het uitvoeren van een doctoraal onderzoek Vegetatiekunde waren op de universiteit van Utrecht spoorwegterreinen volledig buiten beeld. Dat mocht ik niet doen. Ik mocht niet buiten de geijkte paden lopen. Dit was anno 1981! Door bemiddeling van professor Zonderwijk kon het onderzoek uiteindelijk toch plaatsvinden. Door zijn promotie van natuurvriendelijk bermbeheer en het eredoctoraat dat hij onder meer daarvoor kreeg, was hij een bekende Nederlander geworden waar ze in Utrecht niet omheen konden. Dus kon ik van start.
In verhouding tot de rest van Nederland waren de spoorwegterreinen een floristisch paradijs. Dit maakte  het voor mij tot een zeer sensationeel onderzoek. Ik had het gevoel dat ik alle dagen op ontdekkingsreis was. Het waren niet alleen de planten, maar ook de insecten, vooral wilde bijen en vlinders, die mij fascineerden
In die periode werd de begroeiing langs spoorlijnen en –emplacementen nog volop bespoten en gebrand. Bij werkzaamheden werd er met de vegetatie totaal geen rekening gehouden. Het was voor mij in slow motion een voltrekking van een ecologische ramp.
Aan mijn Biologie studie hield ik, behalve mijn doctoraal diploma, als een van de laatsten der Mohikanen, ook nog een echt ouderwets MO diploma over.  Ik heb er nooit wat mee gedaan, maar het is een curieus bezit.