DE ADVIESGROEP VEGETATIEBEHEER EN DE NEDERLANDSE SPOORWEGEN
Na mijn afstuderen kwam ik stapsgewijs te werken bij de Adviesgroep Vegetatiebeheer van de Landbouw Universiteit in Wageningen . Twee keer via een aanstelling bij de Nederlandse Spoorwegen en daarna via tijdelijke aanstellingen vanuit het Ministerie van LNV (Ministerie van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit) . Uiteindelijk kreeg ik een vaste baan bij de Adviesgroep Vegetatiebeheer (Landbouwuniversiteit Wageningen).  (formeel werkte ik het eerste half jaar bij de spoorwegen, maar in de praktijk bij de Adviesgroep)
De Adviesgroep was in het leven geroepen door professor P. Zonderwijk. Destijds een bekende Nederlander in verband met  het promoten van nieuwe bermbeheer.
Mijn hoofdtaak was onderzoek en inventarisatie van de spoorwegflora in relatie met het beheer.
Daarnaast richtte ik mij op het beheer van bloem bezoekende insecten (een paradepaardje van professor Zonderwijk). Verder moest ik, net als mijn collega's het land in om lezingen te houden en advies te geven over vegetatiebeheer. Ik werkte  veel samen met Henk Heemsbergen.
In de zomer was ik meestal onder vrijwel alle weersomstandigheden buiten te vinden op spoorwegterreinen, in de winterperiode werkte ik alle verzamelde waarnemingen uit. Dat resulteerde in een reeks van rapporten en tijdschriftartikelen.
Bij de Adviesgroep Vegetatiebeheer deed ik tot en met 1990 onderzoek aan de spoorwegvegetaties. Ik werd daarna Stadsecoloog bij de Dorschkamp in Wageningen. In 1992 klopte de NS bij de Dorschkamp aan met het verzoek om het spoorwegonderzoek in de vorm van een quickscan nog eens te herhalen. Dit onderzoek werd verdeeld over een periode van 4 jaar. Het was toen al erg duidelijk dat de rijkdom van de spoorwegflora was teruggelopen in vergelijking met mijn vorige onderzoeksperiode. Ik vond het erg jammer, maar ik was ook blij dat ik er afstand van kon nemen. Zoals ik dat vaak om me heen zag, wilde ik niet verzuren in mijn eigen werk. Ik was gewend om van tijd tot tijd naar iets anders over te stappen en dat beviel mij zeer goed.
Tijdens het hele spoorwegonderzoek was er ook steeds aandacht In de media, niet alleen in de landelijke dagbladen, maar ook op radio en verschillende TV-uitzendingen.
Mijn eerste rapport behandelde de verspreiding van spoorwegflora. Hiervan werden  300 exemplaren gedrukt, die voor f15,-- per stuk werden verkocht. Voor een NS-Rapport was het snel uitverkocht.
 
Hoogte- en dieptepunten
Het werk langs de spoorwegen was voor mij een groot feest. Ik deed ieder dag nieuwe ontdekkingen van vindplaatsen van planten. Ik gaf deze kennis ook door aan derden, maar dat had de NS liever niet. Ik wilde echter gecontroleerd worden, zodat mijn bevindingen boven alle twijfel verheven zouden zijn. Zoals Piet Florussen, een bekende Rotterdamse florist, het eens formuleerde: “Jij wordt door 80 man gecontroleerd”.
Het eerste grote rapport verscheen in 1987. Het was een lijvig werk van 292 pagina’s. Titel ???? Van de directe leidinggevende, waar ik uitsluitend mee te maken had als ik wat moest laten drukken, mocht ik wel 10 rapporten laten maker. Ik dacht toen ongeveer zoiets als: “”Je kan de pot op”. Het drukken gebeurde ergens bij een afdeling van het toenmalige ministerie van LNV. Daar waren geen kosten aan verbonden, maar ondanks dat was  de afspraak 10 rapporten.
Op de drukkerij was de persoon die het moest regelen, zeer enthousiast over de uitvoering van het rapport. Ik vertelde hem dat ik een paar jaar aan dit rapport had gewerkt  en dat er  veel belangstelling voor bestond. Ik legde hem verder de vraag voor of het niet gek was dat van een rapport waar zoveel belastinggeld in was gaan zitten  maar 10 exemplaren gedrukt mochten worden. Daar was hij het helemaal mee eens. Er werden  500 exemplaren gedrukt. De rapporten werden extern  gedrukt en er mocht ook een mooie omslag omheen. Toen mijn directe leidinggevende dat hoorde, raakte hij direct in een soort mentale coma, maar professor Zonderwijk vond het allemaal prima.
 
Kalkgraslandtalud bij Eys
De mooiste vegetatie heb ik gevonden langs een spoorweghelling in Zuid-Limburg in de omgeving van Eys. Het was een zeer soortenrijk kalkgrasland met onder meer maanvaren en duifkruid. Het gebied was ook zeer insectenrijk. Opslag van houtige soorten vormde een grote bedreiging van deze vegetatie. Professor Zonderwijk was nog nooit op die plek geweest en ik wilde het hem graag laten zien Hij was altijd druk bezet, maar ik wist hem zo op te jutten dat hij er misschien wel gek van werd, want ineens maakte hij tijd vrij om mee te gaan. We moesten een stuk langs het spoor lopen, maar toen we ongeveer 50 m van de bewuste plek vandaan waren, riep hij al uit: “Wat een geweldige vegetatie. Daar gaan we geld voor aanvragen”. Een of twee dagen later belde hij me al op met het bericht: “Ik heb 10.000 gulden voor het beheer”.
Eerst moest de houtige opslag van de laatse10 jaar worden verwijderd. Dat was een hele klus. De oudere bomen lieten we staan. Verder werd in verband met het behoud van de , vooral bloem bezoekende insecten ieder jaar 1/3 van de vegetatie gemaaid. Deze beheersvorm  was voor  terreinen buiten de natuurgebieden zeer uniek.
Tot onze grote verbazing kregen we een brief van Staatbosbeheer, dat we geen toestemming hadden gekregen om het hout te kappen. We hadden echter wel mondelinge toestemming en iemand van SBS was zelfs komen kijken. We maakten ons niet al te druk, want in Zuid-Limburg stonden ze (onder meer leden van het Natuurhistorisch Genootschap)al in de houding om dat plan op alle mogelijke manieren te saboteren. Het werd een ambtelijk touwtrekkerij die uiteindelijk ten gunste van de Kalkgraslandvegetatie werd beslecht.
 
Roosters door het Bunderbos
Tussen Elsloo en Bunde lagen langs het spoor op enkele plekken afwateringsgoten van grote gestapelde stenen, die uit de Ardennen afkomstig waren. In het Bunderbos kwam de vuursalamander talrijk voor samen met andere amfibieën. Op andere plekken groeiden vooral bijzondere varensoorten. Van boven af leken de afwateringsgoten op putten, maar het was een doorlopende goot. Op sommige plekken kon je er gewoon door heen lopen. Het was eigenlijke industrieel erfgoed.
De goten vormden echter een levensgevaarlijk element voor de mensen die langs het spoor moesten lopen om te schouwen en werken. Er zat eigenlijk niets anders op dan de goten door een ander afwateringssysteem te vervangen. Ik werd gevraagd om een alternatief te bedenken. Voor mij was de oplossing heel simpel. Ik fietste en liep over alle spoorbruggen van Nederland. Vooral  op de Moerdijkbrug was dat een geweldige ervaring. De paden bij al deze bruggen bestonden uit gegalvaniseerde roosters. Dit leek mij ook de oplossing: de stenen goten vervangen door roosters. Het advies was in een halve minuut gegeven en het werd ook uitgevoerd. Die roosters liggen er nog steeds.
 
Problemen en geld voor beheer
Er ging ook vaak wat mis. Professor Zonderwijk probeerde aan de problemen  steeds paal en perk aan te stellen, maar hij kon niet voor alle problemen een oplossing bewerkstelligen. Toen er weer eens een bijzondere vegetatie in Midden-Limburg was verknald, was de maat vol. Een signaal aan een lid van het Natuurhistorisch Genootschap in Limburg zette de zaak  op scherp. Hoe het allemaal precies is in zijn werk is gegaan, weet ik niet , maar grote Nederlandse organisaties schreven een boze brief naar de NS.
De bliksem was ingeslagen. De volgende dag zaten professor Zonderwijk en ik bij een withete NS-directie. We wisten natuurlijk van niets. Het signaal was overduidelijk. Zo kon het niet langer. Dit was zeer schadelijk voor de PR van de NS. Hoe het ging weet ik ook niet meer, want het gesprek ging er verhit aan toe, maar opeens kreeg ik persoonlijk F 2.000.000,-- (2 ton per jaar) voor het (laten) uitvoeren van het beheer van spoorwegterreinen. Dat bedrag mocht ik vrij  besteden over een periode van tien jaar. Eigenlijk was het een fooi, maar beter dan helemaal niets. Bovendien was er nog nooit  zoveel geld voor ecologisch beheer beschikbaar gesteld.
Ik regelde het beheer met Ben Aben, de groenman/ spoorwegecoloog van de NS. Hij was ook mijn contactman en we konden heel goed met elkaar opschieten. We wilden het geld besteden aan 20 spoorwegemplacementen in Nederland. Ik had die uitgezocht en Ben Aben zou het beheer regelen. Daar had ik iets voor op papier gezet.
Er werden een aantal grote bedrijven uitgenodigd om een offerte te maken. Die kwamen op 2 ton per jaar uit. Ik kon daar niets over zeggen. Ben Aben kwam met een alternatief plan. We reisden in drie dagen alle 20 spoorwegemplacementen af en ik gaf precies aan wat er aan beheersmaatregelen moest gebeuren. Vervolgens schakelde hij lokale aannemers in. Op deze manier  hielden we meer dan F 60.000,= per jaar over, die konden worden besteed op andere plekken. (Dat is misschien een tip voor het aanbesteden van het onderhoud van openbaar groen. Kleinere aannemers maken door allerlei rare regelgeving en procedures geen kans om een leeropdracht te bemachtigen. In een later stadium worden ze daar  vaak wel voor ingeschakeld. De winst die eigenlijk aan de kleine aannemers toebehoort, verdwijnt in de zakken van de grote ondernemers zonder dat ze daar iets noemenswaardigs voor hoeven te doen.)
Het stof van de brievenschrijverij met NS was nog maar net opgetrokken, of het volgende incident diende zich al weer aan. Bij Staphorst kwam over een lengte van een paar honderd meter een grote en zeer mooie vegetatie voor van koningsvaren. Zeer recent (een of twee dagen) voor een inventarisatiebezoek van mij was over deze vegetatie al het oude ballast over uitgestort. Dat was weliswaar de gewoonte bij NS, maar daar waren wij fel op tegen. Ik was wit heet en  belde professor Zonderwijk op. Die liet mij dit keer het vuile werk opknappen. Ik moest de NS-regiodirecteur maar bellen en zeggen dat professor Zonderwijk mij had gestuurd. Het kon me ook allemaal niets meer schelen. Mijn letterlijke woorden tijdens het telefoongesprek waren ongeveer: “Dat is nu precies waar de Telegraaf op zit te wachten. Als het morgen niet weg is, staat u overmorgen in de krant”. Twee dagen later ging ik kijken. Alle oude ballast was netjes opgeruimd en de varens stonden er in 2014 nog steeds.
Chemisch onkruid bestrijding
De grootste hobbel was de chemische onkruidbestrijding. Die bestrijdingsmethode ging er vooral voor ca. 1983 zeer ruig aan toe. Er werd gespoten in weer en wind en de chemische middelen kwamen daardoor tientallen meters buiten het spoor terecht. Dat kon zo niet langer, doorgaan, dus werd er voor een paar miljoen gulden een nieuwe sproeitrein besteld. De directeur van de bovenbouw wilde een keer een dag met me mee langs een spoorwegtraject. We fietsten van Assen naar Hoogeveen. Op veel plekken stond Arnica. Onderweg, hoe kan het ook anders, kwam de chemische onkruidbestrijding ter sprake. Voor mijn gevoel kon ik goed duidelijk maken dat op veel plaatsen een jaarlijkse onkruidbestrijding niet nodig was, en dat er waarschijnlijk ook wel veel betere methodes waren dan een sproeitrein. Veel weerwoord was er niet, maar op zeker moment werd hij echt kwaad. Ik moest mijn mond houden. 'De nieuwe sproeitrein was besteld en hij zou rijden ook'. Maar toch bleef er kennelijk iets van het gesprek hangen. Een paar maanden later  mocht ik plekken aanwijzen waar niet gesproeid hoefde te worden. Om een lang verhaal kort te maken: de onkruidbestrijdingsmethode werd veranderd en de nieuwe sproeitrein van zoveel miljoen gulden ging naar het spoorwegmuseum
 
Leuke dingen
Er waren ook zeer leuke ervaringen, vooral langs de lokale lijntjes. Vaak zat ik bij de machinist in de cabine. Het is verschillende keren gebeurd dat de trein werd stopgezet omdat ik een plant wilde bekijken. Ik reed ook mee met goederenwagons. Tussen Breukelen en Mijdrecht moest ik ook een keer de spoorwegvegetatie globaal bekijken. Ik was op de fiets, maar de lijn was volledig ontoegankelijk. Gelukkig mocht ik meerijden met een locomotief die langs kwam. Dit was toch ook weer onhandig, want ik wilde de lijn aan twee kanten bekijken. Daarom mocht ik op het dak zitten. De locomotief reed heel langzaam. Toen we bij een water kwamen moest de machinist eerst met een roeiboot naar de overkant om zelf de spoorbrug open of dicht te draaien en vervolgens weer andersom. Een onvoorstelbaar tafereel.
Het spoorwegonderzoek was geweldig: vol met emotie en avontuur, maar ook een mix van vreugde en woede.
Ongeveer het laatste wat ik  met professor Zonderwijk en de NS-directie samen deed, was een rit maken met een VIP-bus naar Limburg. Op de terugweg had ik met een van de directeuren een stevige en niet al te plezierige woordenwisseling over het beheer. Maar een paar dagen later kreeg ik de mededeling dat de NS f25.000,= beschikbaar zou stellen voor mijn spoorweg- boek: 'Spoorwegen, toevluchtsoord voor plant en dier'. Dit boek werd bij de KNNV  uitgegeven. Toen het boek werd gepresenteerd werkte ik als stadsecoloog bij de Dorschkamp.
Litatuur spoorweg onderzoek
Koster, A., 1982. Onkruiden en vegetaties op terreinen van de Nederlandse spoorwegen in relatie tot beheersaspekten. Doctoraalscriptie. Vakgroep Vegetatiebeheer, Plantenoecologie en Onkruidkunde Landbouwhogeschool Wageningen. 297 p.
Overzicht periode Adviesgroep Vegetatiebeheer
Koster, A., 1984. Verspreiding en betekenis van de Nederlandse spoorwegflora. Notitie 4. Ministerie van Landbouw en Visserij, Adviesgroep Vegetatiebeheer, Wageningen. 293 p.
Koster, A., 1985. Bijzondere planten op zeventien spoorwegemplacementen, De groeiplaatsen en hun beheer. Notitie 6. Ministerie van Landbouw en Visserij, Adviesgroep Vegetatiebeheer, Wageningen. 67 p.
Koster, A., & H. Heemsbergen 1985 en 1988. Kanttekeningen bij de onkruidbestrijding op het ballastbed en schouwpad van de Nederlandse Spoorwegen. Notitie 5a. Ministerie van Landbouw en Visserij, Adviesgroep Vegetatiebeheer, Wageningen. 12 p.
Koster, A., 1985. Botanische waarnemingen op spoorwegterreinen in 1985. Notitie 8. Ministerie van Landbouw en Visserij, Adviesgroep Vegetatiebeheer, Wageningen. 34 p.
Koster, A., 1985. De Bijenwolf, Philanthus triangulum Fabricius, 1775 algemeen op spoorwegterreinen in Zuid-Nederland, Hymenoptera: Sphecidae. Entomologische Berichten, Amsterdam 45, 6: 75-77.
Koster, A., 1985. Spoorwegterreinen van betekenis voor plant en dier. De Levende Natuur 86, 6: 194-199.
Koster, A., 1986. Bijzondere planten langs het Amsterdamse spoor. Natura 83, 4: 91-99
Koster, A., 1986. Akkeronkruiden langs het spoor. Natura 83, 8: 223-231.
Koster, A., 1986. Aantekeningen over de spoorwegflora en -fauna van Friesland. Vanellus 39, 5: 113-121.
Koster, A., 1986. Sterke uitbreiding van de Gehoornde maskerbij (Hylaeus cornutus Curtis, 1831) langs het spoor in Zuid-Limburg. Natuurhistorisch Maandblad 75, 12: 235-238.
Koster, A., 1987. Nogmaals akkeronkruiden langs het spoor 2. Natura 84, 5: 106-107.
Koster, A., 1987. De flora van de Nederlandse Spoorwegen. Notitie 14. Ministerie van Landbouw en Visserij, Adviesgroep Vegetatiebeheer, Wageningen. 292 p.
Koster, A., 1987. De Dagvlinders langs spoordijken (Lepidoptera: Rhopalocera). Entomologische Berichten 47, 3: 39-41.
Koster, A., 1988. Natuurlijke begroeiing op spoorwegterreinen als voorbeeld van een meer natuurlijk drachtgebied. Bijenteelt 90, 10: 167-170.
Koster, A., 1988. Natuurwaarden van opgeheven spoorwegterreinen. Brabants Landschap 80: 2-10.
Koster, A., 1988. Biologische betekenis van spoorwegterreinen in Zuid-Holland. Zuidhollands Landschap 17, 3: 6-9.
Koster, A., 1988. Vegetatiebeheer op 20 spoorwegemplacementen. Notitie 19a. Ministerie van Landbouw en Visserij, Adviesgroep Vegetatiebeheer, Wageningen. 69 p.
Koster, A., 1989. Betekenis van de Spoorwegflora in Zuid-Limburg. Natuurhistorisch Maandblad 78, 11: 185-189
Koster, A., 1989. Insektenbeheer in wegbermen en langs spoorlijnen. In: W. Ellis, Wetenschappelijke Mededeling KNNV 192; 151-161.
Koster, A., 1990. De spoorwegflora van Noord-Nederland. Noorderbreedte 14, 3: 94-98.
Koster, A., 1990. De ecologische betekenis van spoorwegterreinen in het stedelijk gebied. Groen 46, 12: 25-29.
Koster, A., 1991. Spoorwegterreinen, toevluchtsoord voor plant en dier. KNNV, Utrecht. 236 p.
Koster, A., 1996. Locaties bijzondere planten van spoorbermen geactualiseerd. IBN-DLO & NS. 87 p.