Publicatie datum 22 novenber 2021
Zijn honingbijen concurrenten van wilde bijen?
Ik wil in de eerste plaats duidelijk maken dat ik niets tegen honingbijen en imkers  heb. Ik heb de officiële 2-jarige opleiding leraar bijenteelt gevolgd, was zelf 8 jaar imker en ik ben lid van de Nederlandsche Bijenhoudersvereniging (NBV). Ik geef ieder jaar sinds ca. 1984 lezingen aan bijenhouders verenigingen. In 1999 schreef ik, vanuit het Instituut voor Bos- en natuuronderzoek (later Alterra), het rapport Honigwinning in relatie tot maatschappelijke aspecten. Dat werd ook in samenhang met andere activiteiten door het zilveren bijenkorfje van de NBV bekroond. Ik sta nog steeds achter de imkers, maar  het vraagstuk of honingbijen concurrenten zijn van wilde bijen en andere bloembezoekende insecten daagt mij uit om door mijn eigen bril naar deze problematiek te kijken.
 
Maatschappelijk betekenis van imkers
We moeten beginnen om positief naar honingbijen te kijken. Honingbijen zijn bestuivers van onze eerste levensbehoeften. Maar ook economisch gezien zijn ze niet weg te denken. Veel planten waarvan wij leven kunnen ook door andere in het wild levende insecten worden bestoven. Er komen in ons land plekken voor waar dat kan, maar op de meeste plekken kan dat niet. Honingbijen geven de meeste kwekers van eetbare gewassen de zekerheid voor bestuiving.
Voorlopig kunnen we nog niet zonder honingbijen
In de meeste tuinbouwgebieden van West-Europa en elders in de wereld is een economisch verantwoorde productie onmogelijk zonder inzet van honingbijen en in sommige gevallen van hommels. De natuurlijke bestuivers kennen grote fluctuaties in hun aantallen van voorkomen: het ene jaar kunnen ze massaal aanwezig zijn, terwijl ze het andere jaar kunnen ontbreken. Het zal iedereen duidelijk zijn dat dit geen basis is voor een economisch gezonde productiewijze, waarin zekerheid en voorspelbaarheid een belangrijk criterium is. Een teler moet erop kunnen rekenen dat massabestuiving plaatsvindt binnen een bepaalde periode en op een bepaald moment. Te weinig of een te onregelmatige bestuiving leidt tot afname van de productie en vermindering van een standaardkwaliteit.
Veel streken in het land (bijv. kleigebieden) zijn minder geschikt voor de vestiging van massapopulaties wilde bijen, maar wel geschikt zijn voor de tuinbouw. Wilde bijen kunnen hier alleen voor bestuiving worden ingezet als ze op grote schaal worden gekweekt. De vraag is wel wat de risico's hier van zijn? Zoals kippen, varkens en honingbijen een zeer besmettelijke ziekte kunnen krijgen, kan het ook bij gekweekte bijen.
Bestuiving van land- en tuinbouwgewassen
Bij het verzamelen van stuifmeel en nectar vindt bestuiving van de bloemen plaats. Voor veel telers van fruit en zaaizaad is dat een zeer noodzakelijk proces. Omdat alle bloemen in een bepaalde periode intensief zijn bestoven, krijgen de meeste vruchten dezelfde kwaliteit. Dat wil zeggen vruchten met hetzelfde gewicht en dezelfde vorm, dus geen appels die aan één kant plat zijn, maar allemaal mooi appelvormig rond. Van deze kwaliteit moeten de telers het hebben.
Bijen bestuiven in Nederland voor ca. 1,5 miljard bij aan: land en tuinbouwgewassen.
Fruit:  appels peren, bessen, frambozen, aardbeien 
Kassen: paprika, courgette, augurk, meloen
Zaadteelt: prei, kool, andijvie, witlof, bloemzaden etc.
Imkers zorgen er voor dat dat bijenvolken voor bestuiving steeds kunnen worden aangeleverd.
Een groot dilemma is dat honingbijen ook concurrenten kunnen zijn voor wilde bijen. Daar moet op korte termijn een oplossing of een compromis voor worden gezocht. Er wordt op dit moment te veel nadruk gelegd op concurrentie en te weinig op voedselvoorziening. Het is duidelijk dat imkers niet zoals een aantal decennia geleden hun eigen gang kunnen gaan. Maar in het licht van hun maatschappelijk betekenis, moeten we ze ook voldoende ruimte gunnen om te imkeren.
 
Vragen over concurrentie van honingbijen met  wilde bijen.
Sinds 2010 heb ik minstens een paar honderd vragen gekregen over concurrentie van honingbijen met  wilde bijen. Mijn antwoord was dat het zeer lastig is om daar een goed antwoord op te geven. De strekking van het antwoord was meestal dat één bijenvolk per ha bloeiend gewas in of bij natuurgebieden en voor stedelijk gebied twee bijenvolken per ha bloeiend gewas geen kwaad kan. Geregeld heb ik ook het plaatsen van bijenvolken moeten afraden. Maar meer op gevoel dan op wetenschappelijke kennis.
Het geluid dat, in natuurgebieden, honingbijen concurrenten zijn van wilde bijen klinkt steeds luider. Tot op zekere hoogte is dit waar. Het plaatsen van honderden of zelfs veel meer bijenkasten in heidegebieden, zoals dat vroeger normaal was, kan fatale gevolgen hebben voor de biodiversiteit van wilde bijen en andere insecten. Maar het is voor imkers ook onverstandig om bijenkasten zo massaal bijeen te plaatsen. Het uitbreken van besmettelijke bijenziekten ligt dan steeds op de loer.
Het plaatsen van bijenkasten of -korven in de omgeving van nesten van wilde bijen kan er toe leiden dat wilde bijen verdwijnen. Dat heeft vaak met onrust te maken. Dit wordt ondersteund door de ervaring met zweefvliegen (Van der Goot; 1981, pag. 10): 
“Op struikheide moet men echter de zweefvliegen niet vlak bij een aantal kasten met honingbijen zoeken, ze zitten verder op in de heide waar minder honingbijen komen. Daar vindt u ze echter bij honderden”. Dat is ook mijn ervaring.
Deze bijen hebben hier geen last van elkaar. Bij weinig honingbijen is er meestal veel minder of helemaal geen onrust.
 
Dat zien we ook bij andere insecten. Hier Landkaartje en honingbijen op Zijdeplant. Voor meer voorbeelden zie Bijen en vlinders passen bij elkaar: Een paar honingbijen op een m2 jagen insecten niet weg.
 
Bijenkasten op een begraafplaats. Als het hierbij blijft kan het geen kwaad.
 
Midden in de maisakkers is er geen sprake van concurrentie. Honingbijen verzamelen hier alleen stuifmeel.
 
Een bijenstal in een natuurtuin in Muntendam en aan de rand van van Veendam. Als er niet te veel van deze bijenstalletjes voorkomen is er niets aan de hand.
 
Dichtheid van bijenvolken
Een gezond bijenvolk met 20 raten bevat ongeveer 40.000 en in zeer sterke volken 50.000 bijen, waarvan ca. de helft uitvliegt voor het verzamelen van nectar en stuifmeel. Per ha bloeiend gewas betekent dit 2 tot 3 bijen per m2. bij 5 bijenvolken 10 tot 15 bijen. Van één bijenvolk per ha bloeiend gewas zullen wilde bijen en andere bloembezoekende insecten onder gunstige omstandigheden nauwelijks hinder ondervinden. Bijenvolken worden voor heidedracht vaak wat sterker gemaakt door de beste bijenvolken samen te voegen daar moet ook op gelet worden, maar of dat een opvallend negatief effect heeft moet worden onderzocht.
In sommige natuurgebieden zal men wat terughoudender moeten zijn. In 1 ha wilgenbos kunnen meer bijenvolken worden geplaatst, maar op kalkgraslanden veel minder.
Eén ha bloeiend gewas heeft betrekking op het aantal bloeiende planten op een terrein of in een gebied. Zo kan een heideveld van bijvoorbeeld  10 ha slechts voor de helft bloeiende heideplanten bevatten. In een stedelijk gebied van 10 ha met veel tuinen en openbaar groen beslaat het bloeiend gewas misschien 1 of 2 % van het gebied. In het stedelijk gebied gaat het heel goed met wilde bijen, maar te veel honingbijen kunnen dat ongedaan maken. De vinger moet dus wel aan de pols blijven.
Op dit volkstuincomplex staan enkele tientallen bijenkasten. De vraag is of dat niet te veel is. Soms staan er wel 100. Wilde bijen in de omgeving zijn dan kansloos.
 
Mijn eigen ervaring
- 25 jaar geleden ging ik er van uit dat er per ha bloeiend gewas (onder meer heide, koolzaad, stedelijk groen) 3 tot 5 bijenvolken met 20 raten per volk konden worden geplaatst. Dat was ook ingegeven door de 2 jarige cursus bijenteelt voor docent bijenteelt die op land- en tuinbouwscholen les moest geven. Het was een opleiding die uitging van het Ministerie van Landbouw en Visserij. De cursus stond onder leiding van Lei Hensels. Toen de grootste deskundige op het gebied van bijenteelt in Nederland. Voor mij was het een grote eer dat ik deze opleiding mocht volgen. Officieel mocht dat niet omdat ik geen docent was.
- Op de Ginkelse Hei had ik de meeste ervaring. Zelfs in de jaren 1970-‘80 van de vorige eeuw toen er nog ca 1000 bijenvolken rondom en op de hei stonden vlogen er op veel plekken wilde bijen. Heidezijdebij, parasiterende viltbij, bloedbijen en wespbijen. Deze bijen kwamen op allerlei open plekken voor. Dat is nog steeds zo. Maar er waren ook heel veel nestplaatsen gecreëerd door de tanks van het leger. De wilde bijen waren duidelijk aanwezig, maar achteraf gedacht zegt dat niets over concurrentie van honingbijen op het totale heideveld.
- Een van de grootste imkers van het land (Kees van Holland) had zijn imkerij met minstens 200 bijenvolken op steenworp afstand van de toen nog oude en opgeheven spoorlijn Rhenen - Amersfoort. Langs deze spoorlijn kwamen wilgen (boswilg, geoorde wilg en grauwe wilg) over grote lengte dominant voor. Ondanks het feit dat ook een deel van de honingbijen van Kees van Holland talrijk op deze wilgen foerageerden, kwamen ook zandbijen talrijk voor. Zeer waarschijnlijk stonden de meeste bijenvolken van Kees van Holland bij wilgenbossen ergens in Nederland.
- Op en om de heidevelden bij Vierhouten en Epe werden (waarnemingen 2010-2013) ca. 800 bijenvolken geplaatst (in de jaren zeventig waren dat er ca. 8.000 volgens de verhalen). Op al deze heiden is de heidezijdebij talrijk aanwezig naast andere soorten wilde bijen.
- In de natuurtuin van Maastricht stonden eveneens bijenvolken. Ook hier kwamen wilde bijen het hele vliegseizoen voor. Ook zeldzame soorten. ( Waarnemingen rond 1995)
- In Amsterdam zijn in 2014 550 bijenvolken geregistreerd (zeer waarschijnlijk zijn het er veel meer. (Ik denk eerder minstens 1000). Alleen al in het bijenpark stonden veel meer dan 100 bijenvolken). Maar het aantal soorten wilde bijen (meer dan 100 soorten) en hun populaties zijn groter dan ooit. Sinds 2000 is het aantal wilde bijen alleen maar toegenomen. Toe nu toe is er geen aanwijzing dat honingbijen hier concurrenten zijn. Ook in Amsterdam worden er op grote schaal clanldestien bijenkasten geplaatst.
- In de botanische tuin van Utrecht zijn ook al jaren een aantal bijenvolken geplaatst. In de hele tuin zijn deze bijen steeds aanwezig. In de periode 2010-2015 zijn 50 soorten wilde bijen waargenomen.
- In het westelijk bosgedeelte van Vlieland staan al jaren 10 tallen bijenvolken in verband met koninginneteelt. In de zomer zijn de honingbijen vooral georiënteerd op de wadkant, randen van paden en vochtige en droge heide. Vooral aan de westkant van het eiland komt op een afstand ca 1000 m zeeaster voor, waar de schorzijdebij van afhankelijk is. Honingbijen foerageren hier ook maar lijken de aanwezigheid van de schorzijdebij niet te beïnvloeden. Misschien komt dat ook door de afstand.
- Bij verschillende voor imkers favoriete drachtplanten is van voedselconcurrentie tussen honingbijen en wilde bijen  nauwelijks sprake. Lamsoor op het wad is daar een voorbeeld van. Deze soort wordt incidenteel door wilde bijen bezocht. Voor de meeste wilde zomerbijen is er gewoonlijk voldoende voedsel op de hogere delen van het wad en de aangrenzende duinen. Van voedselconcurrentie is hier geen sprake.
- In 2010 had ik ook weer een ervaring dat het mee viel met concurrentie van honingbijen. Op de Epese Hei vlogen aan de zijkant en achterkant bij een rij van 25-30 bijenvolken veel heide zijdebijen. Mijn idee was toen dat 3 bijenvolken (60 bijenraten) per ha bloeiend gewas moest kunnen.
 
Het zijn ervaringen en incidentele waarnemingen, maar voor mij is het duidelijk dat al deze ervaringen geen criteria mogen zijn voor het plaatsen van het aantal bijenkasten in bloemrijke gebieden.

Het enige waar ik zelf van overtuigd ben, is dat 1 bijenvolk met 20 raten per ha bloeiend gewas niet of nauwelijks nadelig kan zijn voor wilde bijen. Het betekent 2 tot 3 bijen per m2. Voor een aantal zeer kwetsbare bijen in natuurgebieden en -terreinen kan misschien een uitzondering worden gemaakt.

 
Maximaal aantal bijenvolken.
Als dit hier de enige bijenvolken zijn zijn is het geen probleem. Het gebied is groot genoeg. maar vaak blijft het hier niet bij (Lauwersmeer Polder)
Veel imkers willen een maximaal aantal bijenvolken op de hei of in natuurgebieden plaatsen: 3 tot 5 bijenvolken per ha. Maar dat is ook het maximale aantal bijenvolken dat wordt ingezet voor intensieve bestuiving voor de teelt van tuinbouwgewassen. Het moet duidelijk zijn dat het aantal bijenvolken dat voor een economische doelstelling is bedoeld niet zomaar kan worden geplaatst bij of in een natuurgebied. Hierbij moet rekening worden gehouden met het feit dat 1 kg honing de opbrengst is van 4-5 kg nectar. Maar het gaat ook om stuifmeel dat wordt verminderd.

Dat er een beperking komt aan het plaatsen van bijenvolken op de hei of in of bij natuurgebieden is niet aan te ontkomen en het lijkt mij ook logisch. Maar alleen wetenschappelijk onderzoek kan aangeven wat het maximale aantal bijenvolken is dat ecologisch verantwoord geplaatst kan worden. Zolang dat dit niet duidelijk is moeten we voorzichtig zijn met het plaatsen van bijenvolken in en bij natuurterreinen en terreinen die de status hebben van natuurgebied. Maar extreem streng is onzin. Een half bijenvolk op 1 ha bloeiend gewas (dat wil zeggen 1 bij per m2) lijkt me erg ver gezocht.

 
Maatregelen die concurrentie verzwakken
Honingbijenvolken moeten niet in de buurt van nestplaatsen van wilde bijen worden geplaatst. Grote aantallen kasten moeten uiteraard verspreid worden geplaatst. Op grote heidevelden aan één kant van het terrein en op plekken waar geen nesten van wilde bijen in de buurt zijn.
Bij of in kleine natuurgebieden met zeer kwetsbare bijen, moeten op afstand permanente locaties worden aangewezen waar bijenvolken kunnen worden geplaatst. Bijenvolken die op 100 tot 500 m van het drachtgebied zijn geplaatst, zullen hier geen nadeel van ondervinden. Als honingbijen op de hei staan, moeten ze vaak veel verder vliegen. Bij het vinden van plekken voor bijenkasten moeten lokale overheden en andere terreinbeheerders de helpende hand bieden.
Op plaatsen in of vlakbij natuurgebieden kunnen barrières, op enkele meters afstand van het vlieggat, de bijen direct omhoog drijven waardoor er in de directe omgeving minder onrust ontstaat. De onrust die honingbijen veroorzaken kunnen wilde bijen weren. Houtige begroeiingen zoals heggen, struweel, singels, houtwallen en bosjes zijn daar geschikt voor. Ze vliegen er over heen en tussen door en verspreiden zich beter.
De bijenkasten staan hier achter de bosjes. De bijen moeten er overheen vliegen om bij de hei te komen. Dat zorgt voor een beter spreiding en veel minder onrust.
Met de grootte van het bijenvolk moet ook rekening worden gehouden. In een bijenkorf zit vaak minder bijen dan in een bijenkast. Gewoonlijk gaat het om bijenkasten met 20 raten maar er worden ook kasten met 30 raten geplaatst. dat betekent dan 50% meer bijen.
 
Onderzoek concurrentie van honingbijen
Het zou zinvol zijn om het volgende verder of beter te onderzoeken.
Hoeveel nectar en stuifmeel er per ha bloeiend gewas wordt geproduceerd en hoeveel er door honingbijen wordt verzameld.
De invloed van bijenvolken, geplaatst op 100-500 meter afstand van natuurterreinen, op het voorkomen van wilde bijen
Het effect van barrières die voor bijenkasten zijn geplaatst, op het voorkomen van wilde bijen in de directe omgeving.
Met de grootte van het bijenvolk moet ook rekening worden gehouden. In een bijenkorf zit vaak minder bijen dan in een bijenkast. Gewoonlijk gaat het om bijenkasten met 20 raten maar er worden ook kasten met 30 raten geplaatst. dat betekent dan 50% meer bijen.
 
Het verschil tussen natuurterreinen met en zonder honingbijen
Dit lijkt een zeer moeilijke en bijna onmogelijke opgave om dat wetenschappelijk te onderzoeken. We te maken hebben met allerlei fluctuaties die per jaar en per natuurterrein kunnen verschillen. Je kan bijvoorbeeld  de ene hei niet zomer vergelijken met een hei die minstens 5 km verligt. Dit vraagt om jarenlang onderzoek eerder meer dan 10 jaar dan minder jaren. Een aantal fluctuerende punten zijn:
Het klimaat en bodem kan per jaar sterk verschillen en per gebied een ander effect hebben. Verschil in neerslad en bodemvochtigheid kunnen invloed hebben oop resultaat van het onderzoek.
Dynamiek in de soortensamenstelling van de vegetatie.
Fluctuaties van koekoeksbijen en andere rovende en parasitaire insecten.
Dichtgroeien van bodems die voor nestgelegenheid worden gebruikt.
Om het goed te kunnen onderzoeken is er tussen vastgestelde grenzen  jaarlijks een stabiel aantal bijenvolken op verschillend heidevelden noodzakelijk dat moet je dan vergelijken met heidevelden zonder honingbijen. Maar we hebben niet alleen met bijenvolken te maken met bijen die op of langs het natuurterrein met toestemming worden geplaatst. Waar vaak geen rekening mee wordt gehouden is het aantal imkers dat in de omgeving van het drachtgebied woont of bijenvolken plaatst in tuinen of grond van bevriende relaties die in de buurt van het drachtgebied wonen. Dat kunnen meer bijenvolken zijn dan in of bij het natuurgebied zijn toegestaan. Het is en vraagstuk dat misschien beter met het gezonde verstand dan met computerprogramma's kan woren opgelost.
Maar er worden ook stukjes grond gehuurd of gekocht. Daarbij gaat het gaat vaak om grote aantallen, van 50 of meer bijenvolken die dicht bij heidevelden of andere natuurterreinen worden geplaatst.
Waar ook geen rekening mee wordt gehouden is de grootte van het bijenvolk. normaal zijn dat 20 raten, maar het kunnen er ook 30 zijn. Dus 50% meer.
 
Een tegenargument
Een tegenargument voor het beperken van bijenvolken in en bij natuurterreinen is, dat er te weinig drachtplanten zijn. Dit geldt vooral voor agrarisch gebied. Imkers worden dan gedreven naar natuurterreinen of naar steden . Dat is ook heel goed te begrijpen, maar dat verandert niets aan de problematiek van concurrentie. Om daar verandering in te brengen moet het groenbeheer in agrarisch gebied veranderen en akkerranden veel breder worden ingezaaid met drachtplanten. Een groot te kort aan drachtplanten in agrarisch gebied kan niet zo maar worden gecompenseerd door natuurgebieden. In heel veel gemeenten worden als compensatie veel bijen/drachtplanten uit gezaaid.
Akkers en andere open plaatsen moeten veel meer benut worden voor bijenteelt. Natuurgebieden kunnen daardoor worden ontlast.
 
Voor honingbijen is hier niets meer te halen. Die zijn nu aangewezen op de planten die in de aangrenzende duinen groeien (Texel)
 
Bijenvolken op heidevelden
Bijenkorven of bijenkasten op de hei is een traditie die we in stand moeten houden. Het hoort gewoon bij de hei.
Heidevelden zijn voor het winnen van heidehoning het meest geliefd bij imkers. Bij beperkingen van bijenvolken op en bij heidevelden komt ook de vraag hoeveel bijenvolken er per imker mag worden geplaatst. Het is heel belangrijk dat de plaatsen die er zijn, eerlijk worden verdeeld. Het uitgangspunt dat hier wordt gebruikt, is dat het bijenhouden voor overgrote deel van de imkers een hobby is.
Bestuiving van struikhei door honingbijen hoeft veel minder intensief dan bij cultuurgewassen. Struikhei is een heester die tientallen jaren oud kan worden. Het zaad in de bodem blijft veel jaren kiemkrachtig. Bestuiving van heidebloemen door insecten die van nature op de hei voor komen is voldoende om de zaadbank in stand te houden.
Voor het overgrote deel van de bijenvolken heeft nectar van heideplanten geen betekenis. Bijna alle imkers, slingeren de honing en de bijen krijgen er suikerwater voor terug. Het is dus geen ecologische noodzaak om honingbijen op de hei te plaatsen.
Vooral door de felle discussies over het plaatsen van bijenvolken op de hei moet ook naar het maatschappelijk aspect worden gekeken
Heidehoning is zelden iets geweest om bijenvolken in leven te houden. Heidehoning was een bron van inkomen. Toen de kinderbijslag werd ingevoerd waren er zelfs imkers die dat gebruikten om er suiker van te kopen om de bijen met suikerwater ‘s winters in leven te houden. De honing werd verkocht.
Heidehoning is geen noodzakelijke bron van inkomsten meer zoals dat vóór de jaren 50 nog het geval was. Het is een hobby geworden of een extraatje voor de beroepsimkers. Heidehoning is duur en levert relatief veel op. Maar dat mag geen argument meer zijn om zoveel mogelijk bijenvolken in of bij de hei te plaatsen.
In dit kader, als er sprake is van concurretie, is het belangrijk dat de beschikbare plaatsen voor bijenvolken eerlijk worden verdeeld, en dat het aantal bijenvolken dat op afstand van de heidevelden is geplaatst onder controle blijft. Anders heeft het beperken van bijenvolken in of bij natuurgebieden geen of heel weinig zin.
 
Bijen kasten in de openbare ruimte aan de rand van een dorp. Hier vlogen de bijen het meest naar het Dorp. Rond om een heide veld en andere bloemrijke natuurgebieden kunnen een paar honderd van deze bijenkasten worden geplaatst.

Voor omwonende is het een ander verhaal als daar niet al te veel bijenvolken staan is daar niets op tegen. Deze bijenkasten staan op ca 2 km afstand van de hei. De honingbijen kunnen dat met gemak overbruggen. En het recht om een aantal bijenvolken te houden kan je de bewoners niet ontnemen,maar controle moet er wel bijven.

Ook hier moet de de vinger aan de pols worden gehouden. Imkers uit de verre omgeving kunnen ook hier , al dan niet tegen betaling, hun bijenvolken plaatsen. Maar niet in de tuin v an Annemiek van Loon die deze foto beschikbaar heeft gesteld.

 
Samenvattend:
Één bijenvolk met 20 raten kan, per ha bloeiend gewas, naar mijn ervaring in het algemeen niet nadelig zijn voor wilde bijen en ander bloembezoekende insecten.
Vier of vijf bijenvolken is het maximum dat per ha bloeiend gewas wordt ingezet voor de intensieve bestuiving voor tuinbouwgewassen, zeer waarschijnlijk is dat te intensief voor natuurgebieden.
De vraag is kunnen er ook 2 of 3 bijenvolken per ha bloeiend gewas in of bij natuurgebieden worden geplaatst. Zolang daar geen duidelijkheid over is, moeten we voorzichtig zijn met het plaatsen van bijenvolken.
Bij het aantal beschikbare plaatsen voor bijenkasten, moet ook rekening worden gehouden met bijenvolken in de omgeving. Anders heeft het beperken van bijenvolken weinig of totaal geen zin.
Bijenhouden is anno 2022 voornamelijk een hobby en geen noodzakelijke bron meer van inkomsten. Dat betekend dat het aantal beschikbare plaatsen eerlijk onder de imkers moet worden verdeeld.
Een onderzoek over concurrentie van honingbijen is zeer gecompliceerd. Hoe dat gaat weet ik niet, maar het zou ook goed zijn om het gezonde verstand niet uit te schakelen.
Waar we ook rekening mee moeten houden is de rol van imkers in de voedselvoorziening en de werkgelegenheid die daar mee samenhangt. Zonder hun zoe de voedsel productie minder zijn. Maar dat is geen argument om bijenvolken ongecontroleerd in of bij natuurgebieden te plaatsen. Dit is vooral een dwang om vooral in agrarisch gebied de voedselvoorziening voor honingbijen (dracht) te verbeteren. Dat gebeurt al op heel veel plekken in ons land, maar nog niet genoeg.