script language="Javascript1.2">
Faunavriendelijk beheer
Gediffentieerd maaien is gericht op meer vegetatiestructuur of andere vegetatie typen, en is vooral gericht op faunistische diversiteit. Voor de totale fauna is het beter als ook in de winter een gedeelte van de afgestorven vegetatie blijft staan. Het meest praktische is maximaal eenmaal per jaar een brede grazige strook in het najaar te maaien, bij voorkeur langs beplantingen en steeds een ander gedeelte te laten staan. Indien dit te organiseren valt, moet bij voorkeur gestreefd worden naar twee of drie leeftijdsklassen in de vegetatie. Ieder jaar wordt de helft of een derde gedeelte van de vegetatie gemaaid.

Een andere optie is verschillende maairegimes naast elkaar te gebruiken door de vegetatie in te delen in zones, die jaarlijks, eenmaal in de twee of eenmaal in de drie jaar worden gemaaid. De twee overjarige vegetaties mogen niet in hetzelfde jaar worden gemaaid. Langs beplantingen, struwelen en vegetaties met ruigtekruiden moet op een manier worden gemaaid, dat de verschillende vegetatiestructuren geleidelijk in elkaar overgaan.
 
Als het in de praktijk haalbaar is, moeten graspollen zoveel mogelijk worden ontzien. Deze zijn als schuilplaats voor kevers en andere insecten van groot belang. Door voldoende grote oppervlakten gras helemaal niet te maaien, blijft het milieu ook geschikt voor andere dieren als muizen, wezels en padden.
De maaimachines moeten zo licht mogelijk zijn. Zware machines hebben een nivellerende invloed op flora en fauna. Ze verdichten en beschadigen de bodem. Hoe kleiner het materiaal waarmee wordt gewerkt, des te minder nadelige effecten er optreden. Waar het financieel haalbaar is, zou een bosmaaier of een lichte messenbalk gebruikt moeten worden.
De maaihoogte mag daarbij niet lager zijn dan 6-8 cm en niet hoger dan 10 cm. De cirkelmaaier en zeker de klepelmaaier kunnen uit faunistisch oogpunt beter niet gebruikt worden. Stofzuigermaaien is moeilijk te verenigen met ecologisch groenbeheer. Alles wat op planten zit: poppen, larven en spinnen wordt meegezogen. Een gedeelte van de fauna en zaden blijven achter, maar de genetische biodiversiteit vermindert. Als deze methode goed gefaseerd plaatsvindt, kan de methode in bepaalde situaties ecologisch acceptabel zijn. Voor veel insecten is er in alle ontwikkelingsstadia geen overlevingskans als een vegetatie gemaaid wordt.