script language="Javascript1.2">
Historie bermbeheer: Kruid of onkruid? opzoek naar de identiteit van de onkruidkunde
Uitgesproken bij de aanvaarding van het ambt van hoogleraar in de onkruidkunde aan de Landbouwhogeschool te Wageningen in 1978. Het bermbeheer begon bij het terugdringen van chemische onkruidbestrijdingsmiddelen. (zie Zonderwijk 1978). Zonderwijk was toen al 20 jaar met dit onderwerp bezig ( Zonderwijk 1960-1975). Dit mondde uit in ecologisch bermbeheer en het ontstaan van de Adviesgroep Vegetatiebeheer die deel uitmaakte van de Vakgroep Vegetatiekunde Plantenoecologie en Onkruidkunde. (Landbouw Universiteit Wageningen). De drie belangrijke thema's waren: beheer van grazige lintvormige landschapselementen, inzaaien en voorwaarden scheppen voor een optimale natuurlijke ontwikkelingen. Foto beschikbaar gesteld door de Vlinderstichting
Zonderwijk was met natuurbeheer grensverleggend bezig. Natuur was niet alleen iets van natuurgebieden, maar van het hele landschap. Voor zijn inzichten verleende de Rijksuniversiteit van Utrecht hem een eredoctoraat. In 1978 werd hij benoemd tot gewoon hoogleraar aan de Landbouw Hogeschool te Wageningen. Van 1981 tot 1990 was ik daar als student en onderzoeker aan verbonden. Daarna heb ik tot aan zijn overlijden (2006) veel contact met hem onderhouden.

Zonderwijk kreeg vooral bekendheid door zijn boek de 'Bonte berm', dat begin jaren 80 van de vorige eeuw werd verfilmd en twee (of drie) keer werd uitgezonden op de televisie. Inzaaien van bermen, dijktaluds en andere landschapselementen was iets waar Zonderwijk veel (vrije) tijd aan besteedde.
Inzaaien van bermen en andere landschapselementen was een gewoonte waar heel veel graszaad, tot 60 (100) kg per ha aan te pas kwam. Bermen en taluds werden ingezaaid om wind- en watererosie te voorkomen en deze te stabiliseren. Als bijvoorbeeld een dijk erodeert kan dat bij hoogwater rampzalige gevolgen hebben. Bij de Adviesgroep Vegetatiebeheer lag de grens van de hoeveelheid graszaad per ha. aanzienlijk lager. Meer dan 25 kg werd het nooit.
Een andere discipline van de Adviesgroep Vegetatiebeheer was de natuurtechnische inrichting van kleine terreinen voor natuurontwikkeling. Deze lagen meestal in agrarisch gebied. De methode daarvoor is uitgewerkt door mijn collega Wim Schippers (1989) onder de titel: 'Natuurbouw: een uitdaging voor directievoerder, aannemer, kraanmachinist en grondwerker'. Deze techniek van bodembewerking kreeg in hetzelfde jaar een officiële status (Prijssen, 1989). Al eerder waren deze inzichten met medewerking van Schippers opgenomen in Herwaarden (1988).
Natuurtechnische bodembewerking heeft tot doel optimale voorwaarden te scheppen voor natuurontwikkeling die het beste bij een bepaald bodemtype past. De wijze waarop natuurtechnisch grondwerk wordt uitgevoerd, heeft een belangrijke invloed op de kwaliteit van de uitgangssituatie. De richtlijnen voor natuurtechnische aanleg van Schippers werden en worden nog steeds aanbevolen en toegepast (o.m. Londo, 1997, Koster, 2001, 2007, Koopman 2018).
Voor de aanleg van bloemrijke vegetaties waren (en zijn nog steeds) twee basisprincipes van belang:
- probeer zoveel mogelijk verstoring van de grond te voorkomen.
- Prof Zonderwijk en mijn collega Henk Heemsbergen hanteerden de regel: zaai zo weinig uit als je durft. Inzaaien is vaak niet noodzakelijk en het gras komt vanzelf wel. Kruiden konden ook zonder graszaad worden ingezaaid. Dat bracht Zonderwijk onder meer in praktijk bij de waterwinbedrijven. (Zonderwijk, 1990-1993).
GecorigeerdNS