script language="Javascript1.2">
Planten- en levensgemeenschappen
Grazige vegetaties werden door maaien, begrazen en branden in stand gehouden. Het maaien gebeurde voor 1970 in wegbermen en voor 1990 in de stad en zo frequent, dat planten nauwelijks bloemen konden ontwikkelen. In de periode daarna werd vooral van bermen, parken en recreatieterreinen de maaifrequentie teruggebracht tot 1 of 2 maal per jaar. Dit leidde vaak tot bloemrijke vegetaties. De maaimachines of maaicombinaties die toen werden gebruikt waren aanzienlijk lichter dan nu. Extreme spoorvorming en bodemverdichting kwamen nauwelijks voor.
Maaien dient zoveel mogelijk te gebeuren met de lichtste machines, een lichte vingerbalk voldoet het beste. Op zeer kleine terreinen kan het beste de zeis, grasschaar of bosmaaier gebruikt te worden.
Door maaien en afvoeren zonder te bemesten kunnen bestaande graslanden tot bloemrijk grasland worden omgevormd en nieuw bloemrijk grasland worden ontwikkeld. Op lichte minerale bodems en op natte bodems die in contact staan met het grondwater verloopt dit proces aanzienlijk sneller dan op de zware gronden.
Het beheer zoals op deze webpagina beschreven is gebaseerd op natuurlijke vegetaties die zich onder invloed van de mens hebben ontwikkeld. Dat is maaien, begrazing, bemesting en het regelen van de grondwaterstand. Een eeuw geleden was grasland en bermbeheer nog zeer extensief. De verhouding van mestproductie en gebruik was goed in evenwicht en in het verre verleden was er zelfs een tekort aan meststoffen. Bodemverdichting door beheer kwam nauwelijks voor, het gebruik van kunstmest was in het experimentele stadium en doordat er geen zware machines werden gebruikt, kon de grondwaterstand hoger blijven.Onkruidbestrijding gebeurde handmatig.
Op basis van dit maaibeheer ontstonden op de verschillende bodems in Nederland ca. 40 typen grasland waarin de grassen, waarschijnlijk eeuwen lang dominant waren. Deze graslandtypen worden in de vegetatiekunde plantengemeenschappen genoemd. In de vegetatiekunde wordt grasland ingedeeld in klassen, ordes, verbonden en associaties. Het laatste staat het dichts bij de werkelijke vegetatie.
In het veld komt gewone dotterbloem in een aantal vegetaties/plantengemeenschappen van natte gronden voor. Een daarvan is de Associatie van boterbloemen en waterkruiskruid. Dit heeft betrekking op vegetaties die vooral in het noordelijke deel van het land voorkomen. Deze vegetatie maakt op papier deel uit van het Dotterbloem-verbond en dat is weer onderdeel van de Pijpenstrootjes-orde die valt onder de klasse van der matig voedselrijke graslanden. Hiermee kun je niet werken.
Wat betekent dit in de praktijk? 40 associaties grasland betekent niet ook 40 verschillende typen beheer. In de praktijk wordt het maaibeheer van grazige begroeiingen bepaald door de voedselrijkdom van de bodem en de bodemvochtigheid. Bij een goed ontwikkelde vegetatie betekent dit 1 of 2 x per jaar maaien, waarbij het maaisel steeds wordt afgevoerd, maar begrazen kan ook. Plantengemeenschappen leven met dieren samen en vormen dan levensgemeenschappen.