script language="Javascript1.2">

Het maaitijdstip en de maaifrequentie worden door de volgende factoren bepaald:

Om duurzame bloemrijke graslanden te bevorderen of te behouden moeten ze afhankelijk van de bodemvruchtbaarheid en de grondwaterstand 1 of 2 maal per jaar met relatief licht materieel worden gemaaid. Hoe lichter, hoe beter. Het maaisel moet altijd worden afgevoerd. Klepelen is meestal funest voor flora en fauna.
Bij ecologisch maaibeheer wordt het maaitijdstip bepaald voor de bloei en de zaadval van de tweezaadlobbige planten. In de volksmond: planten die van belang zijn voor bloembezoekende insecten.
a. De voedselrijkdom van de bodem. De voedselrijkdom van de bodem bepaalt het aantal maaibeurten per jaar. Op rijkere bodems kan in de beginfase drie maal maaien en afvoeren per jaar noodzakelijk zijn; op arme gronden is eenmaal per jaar voldoende. In de praktijk wordt er een keer per jaar in september-oktober gemaaid als de vegetatie niet hoger is van 0,5m. Als de vegetatie hoger is dan zijn gewoonlijk 2 maaibeurten noodzakelijk. De eerste rond eind juni de tweede in september.
b. De vochtigheid van het terrein. Op natte terreinen komt de groei trager op gang. Bovendien zijn de terreinen in het voorjaar en de vroege zomer vaak te nat om gemaaid te kunnen worden. Maaien kan hier vaak niet eerder dan in augustus en meestal ook niet veel later omdat de bodem dan weer te nat wordt.

c. Het wijzigen van de onderlinge concurrentieverhoudingen tussen graslandplanten.
Het gaat hier om de verhouding tussen een- (voornamelijk grassen ) en tweezaadlobbige planten ('bloemplanten'). Grassen hebben sterk de neiging om dominant te worden. Dat is gewoonlijk te voorkomen door 2 x per jaar te maaien. De eerste maaibeurt na de zaadval van de tweezaadlobbige planten de tweede in de nazomer of het vroege najaar. Als grassen inclusief riet te dominant zijn moet er (eventueel pleksgewijs) worden gemaaid op het moment dat deze planten daarvoor het gevoeligst zijn. In de praktijk zal er dan gemaaid moeten worden net voor de bloei van deze soorten. In het algemeen geldt dit ook voor planten zoals akkerdistel en ridderzuring.

d. De aanwezigheid van bijzondere soorten die men in de vegetatie wenst te behouden. In dit geval moet men bij het maairegiem rekening houden met de zaadrijping en de zaadval. De plekken waar dat het geval is, moeten in de maaibestekken worden opgenomen.
e. Faunistische aspecten. Voor het behoud van de fauna is het ongunstig wanneer de vegetatie in één keer wordt afgemaaid. Gefaseerd maaien kan ondervangen dat de fauna te veel schade ondervindt. De samenstelling van de vegetatie kan daardoor worden beïnvloed. Als er na de bloei wordt gemaaid heeft dat op de bloembezoekende insecten minder of geen invloed. Het gaat dan veel meer om de soorten die van de vegetatieve delen van de planten afhankelijk zijn. Zie ook (Wallis et al. 2000 en Keizer 2000).
f. Praktische redenen. Dit kunnen zijn: de esthetische kwaliteit van de woonomgeving; verkeersonveiligheid wegens te lang bermgras; het voorkomen van kruisbestuiving tussen bermplanten en cultuurplanten in aangrenzende akkers (o.m. wilde peen, graszaad) en het nakomen van de distelverordening.
 
 
*GecorigeerdNS