script language="Javascript1.2">
Verhouding een- en tweezaadlobbige planten
Verhoudingen tussen een- een tweezaadlobbige planten speelt vooral een rol bij geïntroduceerde grasachtige begroeiingen of begroeiingen van tweezaadlobbige planten: zaadmengsels zonder graszaad. Wat je ook doet, natuurlijke processen zijn niet uit te sluiten. Met of zonder graszaad, de natuurlijke wilde planten zullen zich mengen met de ingezaaide planten. Nauwkeurig wieden of schoffelen zijn gewoonlijk niet mogelijk. Een aantal kruiden die zich snel kunnen verspreiden en te dominant kunnen worden kunnen handmatig worden verwijderd. Dat zijn onder meer akkerdistel, ridderzuring.
Er zal snel een proces op gang komen dat leidt tot een min of meer stabiele vegetatie. De bodem en het beheer bepalen grotendeels de samenstelling van de planten en de verhouding tussen een- en tweezaadlobbige planten.Deze verhouding is dynamisch, maar blijkt wel kenmerkend voor een bepaald bodemtype. Kalkgrasland op droge kalkrijke grond, blauwgrasland op matig voedselrijke natte grond en heischraal grasland op droge, voedselarme zandige grond. Dit proces kan 10 tot meer dan 20 jaar duren. Als we duurzame begroeiingen willen die bijdragen aan biodiversiteit moeten we dat accepteren.
De regel bij de Adviesgroep Vegetatiebeheer was: zaai zo weinig is als je durft, inzaaien van grassen is vaak overbodig en zaai zo dun dat zaden die van nature in de bodem zitten, kunnen ontkiemen en zaden die zich verspreiden zich kunnen vestigen. Kortom schakel de natuur niet uit door te dicht in te zaaien.
Vaak wordt het accent toch gelegd op de overblijvende planten. Dat begon in 1963 al in Amstelveen (zie bij pioniers ...), los daarvan ook bij prof Zonderwijk en bij verschillende ecologische groenbeheerders onder meer in Zwolle, Rotterdam en Gouda.
Bij graslandbeheer en ontwikkelingsbeheer van bloemrijk grasland door middel van inzaaien waarbij geen graszaad wordt gebruikt hebben we te maken met twee tegengestelde principes. Grassen willen we om hun concurrentiekracht te verminderen zoveel mogelijk verzwakken door de groene bovengrondse delen 1 of 2 keer per jaar te maaien waardoor voedingsstoffen niet in de ondergrondse delen kunnen worden opgeslagen. Bij de overblijvende planten is het juist andersom.
Het is een oud tuinmansprincipe dat terugkomt in de definitie van vaste planten die zeker al minstens meer dan 100 jaar oud is. "Een vaste is een plant die groeit, bloeit, zaad vormt en reservevoedsel opslaat in de ondergrondse delen. Het afsterven van de plant maakt daar deel van uit. Vanuit andere motieven plaatste Mien Ruys (1973) al kanttekeningen bij het vroegtijdig afknippen van vaste planten in de herfst.
Zolang de grassen nog afwezig zijn of nog geen concurrentie kracht hebben moeten overblijvende planten de gelegenheid krijgen om af te sterven en daardoor hun voedselreserve te vergroten. In de praktijk betekent dat zo laat mogelijk maaien en eventueel vooral ongewenste kruiden wieden of uitsteken.
Deze methode is te vergelijken met vasteplantenvakken die soms een paar honderd meter lang kunnen zijn. De planten sterven volledig af en gaan vaak ook zo de winter in. Deze planten staan gewoonlijk vrij dicht bij elkaar en zijn zo ook lichtconcurrenten van planten die moeten kiemen en verder moeten uitgroeien. Dit principe is ook bij wilde overblijvende planten toe te passen. Dat betekent dan wel dat wilde planten die zich spontaan vestigen en deel kunnen gaan uitmaken van de levensgemeenschap zich niet of moeilijker kunnen ontwikkelen. In de praktijk zal het meevallen. Vergrassing is bijna onvermijdelijk. Er zullen ingezaaide planten verdwijnen en andere zullen komen. Met een goed maaibeheer is daar in te sturen.
Het hangt ook heel sterk van de doelstelling af. Als het alleen om bijen en vlinders gaat, kunnen we volstaan met planten die misschien wel uit één milieu komen maar niet echt een levensgemeenschap vormen. Dat gebeurt als planten de ruimte krijgen om op een natuurlijke wijze zo'n levensgemeenschap te vormen. Daar horen andere planten bij die zich spontaan kunnen vestigen en een relatie kunnen aangaan met andere kleine dieren. Echte biodiversiteit komt dan in zicht.